Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 18 maart 2016
Toepasselijk recht op onrechtmatige daad van bestuurder Engelse vennootschap; devolutieve werking
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Overig Boek 2
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
In deze conclusie bij de Hoge Raad gaat het om de persoonlijke aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van een bestuurder die eigenmachtig bijna het volledige saldo van de bedrijfsrekening van een Engelse vennootschap naar zijn privérekening overboekte. De A-G oordeelt dat dit een zelfstandige onrechtmatige daad is die niet onder het vennootschapsstatuut van artikel 10:119 BW valt, zodat het toepasselijke recht volgens Rome II wordt bepaald. Ook acht hij het hof niet buiten de rechtsstrijd getreden. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Ik bepreek eerst de vraag of de onderhavige kwestie dient te worden gekwalificeerd als een kwestie van vennootschaps- en rechtspersonenrecht, zoals door het middel bepleit. Art. 10:119 BW regelt de omvang van het door de conflictregel – het incorporatiestelsel krachtens art. 10:118 BW – aangewezen recht en luidt als volgt:
‘Het op een corporatie toepasselijke recht beheerst naast de oprichting in het bijzonder de volgende onderwerpen: a. het bezit van rechtspersoonlijkheid, of van de bevoegdheid drager te zijn van rechten en verplichtingen, rechtshandelingen te verrichten en in rechte op te treden; b. het inwendig bestel van de corporaties en alle daarmee verband houdende onderwerpen; c. de bevoegdheid van organen en functionarissen van de corporatie om haar te vertegenwoordigen; d. de aansprakelijkheid van bestuurders, commissarissen en andere functionarissen als zodanig jegens de corporatie; e. de vraag wie naast de corporatie, voor de handelingen waardoor de corporatie wordt verbonden, aansprakelijk is uit hoofde van een bepaalde hoedanigheid zoals die van oprichter, vennoot, aandeelhouder, lid, bestuurder, commissaris of andere functionaris van de corporatie; f. de beëindiging van het bestaan van de corporatie’.”
r.o. 2.8
“In art. 10:119 aanhef en onder d BW (art. 3 aanhef en onder d WCC oud) is bepaald dat de interne aansprakelijkheid van een bestuurder jegens een corporatie, wordt beheerst door het incorporatierecht. Deze interne aansprakelijkheid is in de onderhavige zaak niet aan de orde. Art. 10:119 aanhef en onder e BW ziet op de externe aansprakelijkheid, namelijk op de vraag of een in het artikellid genoemde persoon in een bepaalde hoedanigheid naast de corporatie aansprakelijk is voor de handelingen waardoor de corporatie wordt verbonden. Is een corporatie aansprakelijk uit hoofde van wanprestatie of op grond van onrechtmatige daad, dan bepaalt het incorporatierecht of daarvoor ook een bij die corporatie betrokken persoon in een bepaalde hoedanigheid kan worden aangesproken. In de onderhavige zaak betreft het een aansprakelijkstelling van [eiser] op grond van beweerdelijk onrechtmatige overboekingen van gelden van de rekening van Arkans, waardoor hij heeft bewerkstelligd dat Arkans haar contractuele verplichtingen niet nakomt. Het hof heeft terecht deze kwestie gekwalificeerd als een zelfstandige onrechtmatige daad van [eiser]. Met andere woorden, het gestelde handelen behoort niet tot de verwijzingscategorie van het vennootschaps- en rechtspersonenrecht, maar tot die van de onrechtmatige daad. Dat de aansprakelijkheid in verband staat met de hoedanigheid van (feitelijk) bestuurder van een vennootschap, maakt dit niet anders. Deze individuele, zelfstandige aansprakelijkheid dient dan […]”
r.o. 2.9
“Het hof heeft in rov. 3.11 van het bestreden arrest geoordeeld dat in deze zaak het toepasselijke recht moet worden bepaald aan de hand van de verwijzingsregels van Rome II. Voor zover in het middel de klacht kan worden gelezen dat het hof ten onrechte Rome II heeft toegepast, geldt het volgende. Rome II is ingevolge art. 1 van toepassing op niet-contractuele verbintenissen in de gevallen waarin tussen de rechtsstelsels van verschillende landen moet worden gekozen. De verordening is op 11 januari 2009 in werking getreden en is krachtens art. 31 Rome II van toepassing op schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan vanaf de inwerkingtreding van de verordening. Op de onderhavige zaak is Rome II van toepassing, nu de overboekingen door [eiser] hebben plaatsgevonden op 25 augustus 2010. In dit verband wijs ik nog op art. 1 lid 2 onder d Rome II waarin is bepaald dat niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit het recht inzake vennootschappen, verenigingen en rechtspersonen, zoals de persoonlijke aansprakelijkheid van de vennoten en de leden van de organen voor de schulden van de vennootschap, van het toepassingsgebied van Rome II zijn uitgesloten. Hieruit blijkt dat Rome II niet van toepassing is op aansprakelijkheid die zijn grondslag vindt in het vennootschaps- en rechtspersonenrecht, zoals de persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder voor schulden van de vennootschap. Is de vennootschap in het kader van handelingen gepleegd door haar […]”
r.o. 2.10