Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 17 juni 2016
Curaçaos enquêterecht: rechtsverwerking, kapitaalseis, bezwaren en vervaltermijn vernietiging
- Enquêterecht
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een minderheidsaandeelhouder verzocht om een enquête bij twee Curaçaose vennootschappen na aandelenemissies waardoor haar belang praktisch verdween. Het hof wees het verzoek af wegens rechtsverwerking. De A-G concludeert dat enkel tijdsverloop of stilzitten daarvoor onvoldoende is, dat de kapitaalseis en het vereiste van schriftelijke bezwaren soepel worden toegepast, en dat de vervaltermijn voor vernietiging van besluiten niet geldt in de enquêteprocedure. Hij concludeert tot vernietiging en terugwijzing.
Kernoverwegingen
“In diverse uitspraken heeft Uw Raad steeds langs dezelfde lijnen geoordeeld: een enkel verlopen van – soms heel veel – tijd waarin een partij heeft stilgezeten is onvoldoende voor het aannemen van rechtsverwerking. Daarvoor zijn bijzondere omstandigheden vereist als gevolg waarvan hetzij (a) bij de wederpartij gerechtvaardigd het vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, hetzij (b) diens positie onredelijk benadeeld of verzwaard zou worden ingeval het recht of de bevoegdheid alsnog zou worden uitgeoefend. Voor de duidelijkheid: deze bijzondere omstandigheden moeten bijkomstig zijn; het is dus niet zo dat door (lang) stilzitten vertrouwen kan worden gewekt – althans niet gerechtvaardigd – dat een recht of bevoegdheid niet meer zal worden uitgeoefend. Dit is ook logisch: dáárvoor (de blokkerende werking van enkel tijdsverloop) hebben we nu juist moderne en adequate verjaringstermijnen.”
r.o. 3.9
“Laat het leerstuk van rechtsverwerking zich ook toepassen op (procesrechtelijke bevoegdheden in het kader van) het enquêterecht? Het enquêterecht is ingebed in het ondernemingsrecht, waar de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid ook een plaats heeft (art. 2:8 lid 2 BW/art. 2:7 lid 2 BWC); hetgeen een argument vóór is, omdat rechtsverwerking daarop gebaseerd is. Het enquêterecht heeft voorts een sterk procesrechtelijk karakter, en ook van het procesrecht (in het algemeen) wordt aangenomen dat rechtsverwerking daar, al dan niet in de vorm van zijn evenknie de goede procesorde, toepassing kan vinden. Ook in zoverre een argument vóór. Daartégen zou kunnen pleiten dat de aard van de bevoegdheid om een enquêteverzoek te doen, toepassing van een in eerste instantie voor verbintenisrechtelijke verhoudingen ontwikkeld leerstuk minder voor de hand liggend maakt. De enquêteprocedure is niet (naar zijn aard, anders dan vaak naar zijn uitwerking) een contentieus gebeuren, en heeft doeleinden die óók particuliere belangen overstijgen. Verwerking van het enquêterecht zou tegen die achtergrond, zo al, dan toch terughoudend moeten worden aangenomen. Wat daar verder ook van zij, ik constateer dat in de literatuur lijkt te worden aangenomen dat ook het recht om een enquêteverzoek te doen aan verwerking bloot kan staan,, evenals de Nederlandse Ondernemingskamer dat blijkens haar rechtspraak doet. De Hoge Raad heeft zich hierover nog niet uitgelaten. Ik neem, met de […]”
r.o. 3.11
“Ik acht onderdeel 5.1-5.3 van het principale middel gegrond. Het oordeel van het hof in rov. 2.5 komt erop neer dat het in de rede had gelegen wanneer Bab in de periode van bijna vijf jaar na de gewraakte ava’s haar bezwaren aan de orde zou stellen. Daarbij acht het hof van belang dat het enquêterecht op Curaçao pas van na die besluitvorming dateert, maar dat Bab ook pas ruim drie jaar na inwerkingtreding van dat recht in actie is gekomen. Het hof overweegt dat “hierdoor” het gerechtvaardigd vertrouwen bij Cordial en Turnham is gewekt dat Bab zich bij de besluiten had neergelegd. Bovendien zouden Cordial en Turnham door een enquête onredelijk worden benadeeld. Hieraan verbindt het hof de conclusie dat Bab haar recht heeft verwerkt om het verzoek te doen. Dat is m.i. niet terecht, omdat het hof naar mijn inzicht niets anders heeft vastgesteld dan dat er (veel) tijd is verstreken. Het hof plaatst dit tijdsverloop in de sleutel van rechtsverwerking, onder andere door op beide klassieke rechtsverwerkingscategorieën een beroep te doen; er is (a) gerechtvaardigd vertrouwen gewekt en (b) er is tevens sprake van onredelijke benadeling. Weliswaar blijkt uit rov. 2.6 dat het hof van oordeel is dat Bab haar bezwaren tegen de emissiebesluiten kenbaar had kunnen maken, maar dit is m.i. een variatie op het thema ’Bab heeft stilgezeten’, en stilzitten is m.i. in dit geval niets anders dan een creatieve manier om het enkele verstrijken van tijd (zonder dat daarin door iemand iets is […]”
r.o. 3.12