Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 17 juni 2016
Verhaal op stichting particulier fonds: vereenzelviging, misbruik van identiteitsverschil, toerekening van kennis
- Overig Boek 2
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een werkgever wil de schade van fraude door een ex-werknemer ook verhalen op een stichting particulier fonds waarin de werknemer een villa heeft ondergebracht. De A-G acht vereenzelviging van werknemer en fonds te ver gaand, maar vindt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen misbruik van identiteitsverschil of onrechtmatig profiteren van fraude is aangenomen. Ook bij de toerekening van kennis aan de rechtspersoon is de feitelijke positie van de beleidsbepaler beslissend. De A-G concludeert tot vernietiging en terugwijzing.
Kernoverwegingen
“Mijns inziens volgt uit de hiervoor geciteerde passages uit de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Landsverordening Stichtingen en het hiervoor genoemde arrest van de fiscale kamer van Uw Raad dat een SPF, zoals iedere andere rechtspersoon, een apart rechtssubject is met een eigen juridische identiteit, afgescheiden vermogen en eigen rechten en verplichtingen (art. 2:3 BW Sint Maarten en art. 2:5 Nederlands BW). Voor een (beweerd) crediteur van de belanghebbende bij een SPF, zoals in dit geval Resort of the World ten opzichte van [betrokkene 1] , is het daarom in beginsel niet mogelijk om zijn vordering op (vermogensbestanddelen van) de SPF te verhalen. Daarvoor is bijzonder geschut nodig dat alleen in bepaalde (bijzondere) gevallen uitkomst zal bieden. Ik maak daarover hierna onder 4.16 e.v. nog een enkele opmerking.”
r.o. 4.14
“Ik meen dat deze klachten falen. Uit de geciteerde wetsgeschiedenis blijkt dat de regeling over de SPF onder meer beoogt te voorzien in een mogelijkheid tot het afzonderen van particulier- of familievermogen in een rechtspersoonlijkheid bezittende entiteit (hiervoor 4.11). Een rechtspersoon met als doelstelling het beheer van een privévermogen zal in het algemeen sterk afhankelijk zijn van de betrokken privépersoon en voornamelijk het belang van deze privépersoon dienen. Vereenzelviging op grond van die lotsverbondenheid zou niet aansluiten bij de bedoeling om te voorzien in de mogelijkheid van het afzonderen van particulier vermogen in een rechtspersoon. Maple Leaf wordt niet verweten dat zij zelf actief bij (het plegen van) fraude betrokken zou zijn. Er lijkt mij daarom geen grond om Maple Leaf voor de gehele fraudeschade aansprakelijk te achten, hetgeen wel het gevolg zou zijn van een vereenzelviging. De gesignaleerde verbondenheid tussen [betrokkene 1] en Maple Leaf gaat in mijn visie dus niet zo ver dat zij een beroep op vereenzelviging zou kunnen dragen. Hierna komt nog aan de orde dat in casu wel aanleiding zou kunnen zijn voor een minder ver strekkende aansprakelijkheid.”
r.o. 4.38
“Hoewel deze overwegingen bij eerste lezing wellicht niet zo gek lijken, gaat het er uiteindelijk om dat het hof zich onvoldoende rekenschap geeft van het totaalbeeld en teveel nadruk legt op enkele deelaspecten. Deze overwegingen vormen mijns inziens daarom uiteindelijk geen toereikende respons op de stellingen dat de allocatie niet op zakelijke gronden is geschied en niet aansluit bij de economische situatie. Het hof reageert niet op dit betoog als zodanig, maar beperkt zich tot bespreking van enkele deelaspecten (in het bijzonder de fiscale achtergrond van de oprichting en de betaling van de woonlasten). De bespreking van deze deelaspecten kan het uiteindelijke oordeel van het hof naar mijn mening echter niet dragen. Dat de inbreng vanwege, overigens niet nader aangeduide, ‘fiscale redenen’ zou zijn geschied en de inschakeling van een fiscalist laten nog steeds ruimte voor crediteursbenadeling als belangrijke al dan niet aanvullende reden voor de inbreng van de villa in Maple Leaf. De betaling van de woonlasten door [betrokkene 1] – waarin, naar het hof terecht overweegt, op zichzelf geen benadeling ligt besloten – vormt een indicatie dat de juridische eigendomssituatie niet werkelijk aansluit bij de economische realiteit. Dat het oogmerk van benadeling naar ’s hofs oordeel ook niet kan worden aangenomen indien [betrokkene 1] ten tijde van de overdracht van de villa al (structureel, grootschalige) fraude pleegde en toen al ernstig rekening moest houden met terugvordering, […]”
r.o. 4.52