Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 24 juni 2016
Enquêtebevoegdheid van onteigende SNS-aandeelhouders ondanks niet meer voldoen aan kapitaalseis
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
In deze conclusie gaat het om de vraag of gewezen aandeelhouders van een bank- en verzekeringsholding, wier aandelen zijn onteigend op grond van de Interventiewet, nog een enquête kunnen verzoeken, terwijl zij niet meer aan de kapitaalseis van artikel 2:346 BW voldoen. De A-G concludeert dat de Interventiewet enquêtebevoegdheid niet uitsluit en dat de lijn van de Slotervaartziekenhuis-beschikking ook hier geldt. Hij adviseert wel de regel te beperken tot verzoeken die in wezenlijke mate zien op het beleid dat tot het verlies leidde, en tot onvrijwillig verlies van het aandeelhouderschap. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Daarbij is van belang dat ik het verlies van de enquêtebevoegdheid, anders dan de Staat c.s. (zie onderdeel 6.2), niet als een inherent gevolg van de overgang van de aandelen zie. Het recht van enquête (dat niet een vermogensrecht is) is niet een exclusief aan één partij toekomend recht, zoals het stemrecht en/of het winstrecht. De wet kent het enquêterecht toe aan verschillende partijen, zoals aandeelhouders en vakorganisaties. Indien de aandelen worden overgedragen aan een administratiekantoor, waarna certificaten worden uitgegeven, komt vervolgens de enquêtebevoegdheid zowel toe aan het administratiekantoor als aan de certificaathouders. Iets dergelijks geldt bij vestiging van een recht van vruchtgebruik of een pandrecht op aandelen: de vruchtgebruikers en de pandhouders hebben enquêtebevoegdheid naast de aandeelhouders. Ingeval van aandelen die tot een nalatenschap behoren, kan de executeur naast de erfgenamen enquêtebevoegd zijn. Verschillende partijen kunnen dus naast elkaar het enquêterecht hebben. Het is “en-en”, niet zoals bij het winstrecht, “of-of”. Hierin zie ik een aanwijzing dat het verlies van enquêtebevoegdheid niet een noodzakelijk gevolg is van een aandelenovergang.”
r.o. 4.9
“Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het aannemen van enquêtebevoegdheid van de voormalige SNS-aandeelhouders niet reeds uitgesloten moet worden geacht wegens (de strekking van) de Interventiewet. Ik acht onderdeel 6 in zijn geheel ongegrond.
De ondernemingsrechtelijke kernoverweging van de ondernemingskamer; Slotervaart”
r.o. 4.18
“Met deze benadering, die in essentie ook is toegepast in de DA-zaak (zie hiervoor, 3.14), lijkt de ondernemingskamer voort te bouwen op de overweging ten overvloede uit de Slotervaartziekenhuis-beschikking (zie hiervoor, 3.13). Voor dat voortbouwen bestaan naar mijn mening goede redenen. In beide gevallen werd strikt genomen niet aan de kapitaalseisen van art. 2:346 BW voldaan. In het geval van het Slotervaartziekenhuis was de oorzaak de verwatering van het aandelenkapitaal als gevolg van de aandelenemissie. In de SNS-zaak was de (directe) oorzaak het onteigeningsbesluit van de Minister. Belangrijke overeenkomsten zijn dat in beide gevallen een enquête werd verzocht (mede) om het beleid en de gang van zaken te onderzoeken die (mede) ertoe hebben geleid dat niet meer werd voldaan aan de kapitaalseis, terwijl de (directe) oorzaak daarvan buiten de invloedsfeer van de betreffende aandeelhouder of certificaathouder lag.”
r.o. 4.21