← Week 8

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 26 februari 2016

Opzegging verenigingslidmaatschap: artikel 2:8 BW, artikel 2:15 BW en onrechtmatige daad

  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een lid van een vereniging (inmiddels omgezet in een B.V.) is opgezegd met onmiddellijke ingang. Het lid ging niet tijdig naar de rechter om het opzeggingsbesluit te vernietigen (artikel 2:15 BW), maar stelde wel dat de opzegging onrechtmatig was. De A-G meent dat het hof de onrechtmatigheid mocht beoordelen aan de hand van artikel 2:8 BW, maar dat het de opgegeven opzeggingsgronden had moeten betrekken in zijn oordeel. Hij concludeert tot vernietiging en verwijzing in het principale beroep en tot verwerping van het incidentele beroep.

Kernoverwegingen

“Anders dan IMG meent, heeft het Hof m.i. geen oordeel als vermeld onder 4.1 geveld. Dat blijkt voldoende duidelijk uit rov. 3.4.4. Of een op onrechtmatige daad gestoelde vordering in een geval als het onderhavige met vrucht kan worden ingesteld, hangt in ’s Hofs visie kennelijk af van de omstandigheden van het geval; dit wordt met name uitgewerkt in rov. 3.4.5 en vooral rov. 3.4.6. De inleiding op het onderdeel (1.0) wijst trouwens zelf op een reeks door het Hof verdisconteerde omstandigheden.”

r.o. 4.2.1

“Ten overvloede: uit het arrest Tuin Holding/X volgt dat de norm van art. 2:8 BW betrokken dient te worden bij de beoordeling of van een onrechtmatige daad sprake is. De vraag of de enkele schending van art. 2:8 BW voldoende is, ook wanneer tegen het desbetreffende besluit niet tijdig is opgekomen, kan blijven rusten omdat het Hof zijn oordeel niet op die enkele schending baseert.”

r.o. 4.5

“M.i. is niet onverdedigbaar dat het Hof uit de enigszins warrige toelichting op grief III en de daarin voorkomende krachttermen heeft kunnen afleiden dat [verweerster] mede het oog had op de grondslag onrechtmatige daad. Het is m.i. lood om oud ijzer om drie zelfstandige redenen:

a) in het licht van de memorie in zijn geheel, met name ook hetgeen hiervoor onder 4.10 werd vermeld, heeft het Hof die conclusie m.i. kunnen trekken;

b) ware dat al anders, dan kan de verwijzingsrechter tot dezelfde slotsom komen op basis van de onder a bedoelde uiteenzettingen;

c) het Hof had de vrijheid (zoal niet de plicht) om de rechtsgronden aan te vullen. Er is geen reden aan te nemen dat [verweerster] haar vordering alleen beoordeeld wilde zien op de voet van art. 2:8 lid 2 BW, wat andermaal blijkt uit het hierboven onder 4.10 weergegevene.”

r.o. 4.12

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2016:78
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
26 februari 2016
Datum publicatie
3 juni 2016
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:8 BW, 2:15 BW, 6:162 BW
Thema
Vereniging, stichting en coöperatie, Besluitvorming en vernietigbaarheid
Weekoverzicht
Week 8 van 2016

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.