Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 8 juli 2016
Commanditaire vennootschap: wie is commanditair vennoot en vereenzelviging moeder- en dochtervennootschap
- Personenvennootschappen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
- Personenvennootschappen
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Conclusie in een zaak over een publiek-private samenwerking bij de ontwikkeling van een bedrijventerrein, waarin een commanditaire vennootschap is opgericht. Centraal staat de vraag wie als commanditair vennoot geldt (de partij uit de samenwerkingsovereenkomst of de dochtervennootschap uit de oprichtingsakte) en of het beheersverbod van de WvK is overtreden. In het incidentele cassatieberoep speelt bovendien de aansprakelijkheid van de ontwikkelaars als bestuurder van de beherend vennoot. De tekst is afgekapt.
Kernoverwegingen
“Voor zover het subonderdeel vooronderstelt dat art. 22 WvK niet op de commanditaire vennootschap van toepassing is, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting. Niettegenstaande de tekst van deze bepaling (die voorkomt in de derde titel van het eerste boek, die als opschrift draagt “Van de vennootschap onder ene firma en van die bij wijze van geldschieting of “en commandite” genaamd”), moet worden aangenomen dat zij ook op de commanditaire vennootschap van toepassing is. Overigens is, anders dan uit art. 22 WvK lijkt voort te vloeien, een authentieke of onderhandse akte geen constitutief vereiste; de overeenkomst van vennootschap is vormvrij. Voor zover het subonderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat, gelet op de bijzondere positie van beherende en commanditaire vennoten, het bestaan van een CV rechtens niet snel mag worden aangenomen, geldt dat de uitleg door het hof van de tussen partijen geldende overeenkomsten op zichzelf geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of van te weinig terughoudendheid bij de beoordeling of partijen al dan niet een CV beoogden. Het hof heeft immers vastgesteld dat de samenwerkingsovereenkomst met zoveel woorden bepaalt dat wordt beoogd (zo spoedig mogelijk) een CV op te richten en dat NHN Vastgoed B.V., Zeeman Vastgoed oud en [A] de commanditaire vennoten zullen zijn. Tegen die achtergrond kan - afgezien van het oordeel dat werd beoogd de CV reeds met de samenwerkingsovereenkomst in het leven te roepen, over de […]”
r.o. 2.59
“Mijns inziens is het oordeel in de rov. 3.26.2 en 3.27 in het licht van de stellingen onder a en b inderdaad onbegrijpelijk voor zover het inhoudt dat partijen hebben beoogd reeds bij de samenwerkingsovereenkomst de CV in het leven te roepen. Die samenwerkingsovereenkomst spreekt immers inderdaad steeds van een CV die nog zal worden opgericht en van wie daarin als commandieten zullen optreden (in art. 4 lid 5 en ook lid 1 en lid 8). Daaruit blijkt niet zonder meer de (voor de totstandkoming van de overeenkomst tot oprichting van een CV essentiële) wil de CV reeds door het aangaan van de samenwerkingsovereenkomst in het leven te roepen. Die wil kan evenmin uit de door het hof in de rov. 3.26.2 en 3.27 genoemde omstandigheden worden afgeleid. De omstandigheid dat de CV in de (van dezelfde datum als de samenwerkingsovereenkomst daterende) grondverkoopovereenkomst en borgovereenkomst als Distriport Noord-Holland CV i.o. wordt aangeduid en het feit dat de in rov. 3.27 bedoelde CV-akte het opschrift “Overeenkomst tot het aangaan van een commanditaire vennootschap” draagt, wijzen juist op een andere dan op een onmiddellijke totstandbrenging van een CV gerichte rechtswil. Ook als met de CV-akte is bedoeld de reeds in de samenwerkingsovereenkomst gemaakte afspraken uit te voeren (in de woorden van rov. 3.27: “(verder) te formaliseren”), volgt daaruit niet dat de CV reeds had aangevangen te bestaan. De hierboven bedoelde onbegrijpelijkheid kan echter niet tot cassatie leiden, indien […]”
r.o. 2.61
“Het subonderdeel is deels terecht voorgesteld. De omstandigheden onder (i) en (ii) - dat [B] een dochtervennootschap is van [A] en dat beide vennootschappen dezelfde vertegenwoordigers kennen - die betrekking hebben op de verwevenheid van de beide vennootschappen, vormen op zichzelf onvoldoende grond om te concluderen tot de door het hof in rov. 3.28 bedoelde vereenzelviging en het daaraan door het hof in rov. 3.29 verbonden gevolg dat [A] in dit geding als commanditair vennoot heeft te gelden (en daarmee op dezelfde voet als de commanditaire vennoot [B] aansprakelijk zal (kunnen) zijn voor de schade voortvloeiende uit de hier aan de orde zijnde toerekenbare tekortkoming van Distriport CV in de nakoming van haar contractuele verplichtingen jegens de Provincie). Het enkele feit dat een moedermaatschappij hetzij door haar bestuurders tevens als bestuurders van haar dochter te doen optreden, hetzij als bestuurder en/of enig aandeelhouder van haar dochter het beleid ter zake van de bedrijfsactiviteiten van de dochter bepaalt en daaraan leiding geeft c.q. dat beleid beïnvloedt, brengt immers niet mee dat de moeder op dezelfde voet aansprakelijk zal (kunnen) zijn voor datgene waarvoor de dochter aansprakelijk zal (kunnen) zijn. Enig misbruik van het identiteitsverschil tussen de twee vennootschappen heeft het hof niet aan zijn oordeel ten grondslag gelegd.”
r.o. 2.64