Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 2 september 2016
Enquête Meavita: kostenverhaal artikel 2:354 BW en defungerende OK-voorzitter
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een enquêteprocedure over een zorgconcern is de onderzoekskosten van € 1.000.000 op grond van artikel 2:354 BW verhaald op bestuurders en commissarissen. De A-G concludeert dat de OK-beschikking niet is gewezen door het wettelijk aantal rechters, omdat de voorzitter was gedefungeerd voordat de definitieve tekst was vastgesteld. Verhaal door een ander dan de rechtspersoon die kosten heeft betaald, acht hij mogelijk. Wel moet de OK bij kostenverhaal individuele verwijtbaarheid en de kostenverdeling motiveren; hij concludeert tot vernietiging en verwijzing.
Kernoverwegingen
“Ik kom, voor wat betreft onderdeel 1, tot de volgende conclusie. Van het wijzen van een vonnis is pas sprake wanneer de rechter de uiteindelijke tekst van het vonnis heeft vastgesteld. In het geval van een meervoudige kamer dienen alle rechters zich met deze tekst te hebben verenigd. Redelijkerwijs kan worden uitgesloten dat dit in de onderhavige zaak is gebeurd. De beschikking kan dan ook niet op 6 juni 2014 zijn “gegeven”, zoals de beschikking vermeldt. Gelet op de brieven van de secretaris van de ondernemingskamer, moet er mijns inziens van worden uitgegaan dat de tekst van de beschikking pas op een na 1 mei 2015 gelegen datum, derhalve nadat de voorzitter was gedefungeerd, definitief is vastgesteld. De klacht van onderdeel 1 dat de beschikking niet is gegeven door het voorgeschreven aantal rechters acht ik daarom gegrond.”
r.o. 3.26
“In de literatuur wordt mijns inziens terecht verdedigd dat in zo’n geval verhaal via art. 2:354 BW mogelijk zou moeten zijn. Daarvoor pleiten in de eerste plaats proceseconomische overwegingen: zonder de mogelijkheid van art. 2:354 BW is de betalende “ander” voor het verhaal van de onderzoekskosten op een procedure bij de gewone rechter aangewezen. De ander zou dan bovendien verstoken zijn van de specifieke grondslag die art. 2:354 BW (in vergelijking met art. 6:162 BW) voor dit verhaal biedt. In de parlementaire behandeling is over art. 2:354 BW opgemerkt dat het onbillijk zou zijn deze kosten te allen tijde ten laste van de rechtspersoon te brengen. Daaruit meen ik te kunnen afleiden dat de wetgever bij de totstandkoming van deze regeling geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat een ander dan de rechtspersoon deze kosten vrijwillig voor zijn rekening neemt. De aan art. 2:354 BW ten grondslag liggende gedachte dat de onderzoekskosten moeten worden gedragen door de personen die deze nodeloos hebben veroorzaakt, verzet zich in ieder geval niet ertegen dat een ander die de onderzoekskosten heeft betaald, zich op dit verhaalsrecht kan beroepen. Uit dit alles volgt dat het onderdeel naar mijn mening faalt, omdat het op een onjuiste rechtsopvatting is gebaseerd.”
r.o. 3.31
“Dit onderdeel slaagt. Het is niet begrijpelijk waarom de ondernemingskamer, nu deze oordeelt dat uit het onderzoek volgt dat voor een deel van het Maevita-concern geen wanbeleid vastgesteld kan worden, geoordeeld heeft dat niettemin alle onderzoekskosten op een aantal functionarissen van dat concern moeten worden verhaald. Een zekere aftrek op het totaal van de onderzoekkosten vanwege het ontbreken van wanbeleid had voor de hand gelegen, zeker nu het bedrag van de onderzoekskosten zo hoog is uitgevallen. Er kunnen wellicht ook redenen, zoals de ernst van het wel vastgestelde wanbeleid, zijn om een dergelijke aftrek niet toe te passen. Die blijken echter niet uit de beschikking van de ondernemingskamer. De ondernemingskamer had mijns inziens op dit punt haar beschikking uitgebreider moeten motiveren.”
r.o. 3.37