Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 8 juli 2016
Geschillenregeling: appelverbod deskundigenbenoeming niet te doorbreken; geen tussentijds cassatieberoep
- Geschillenregeling
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een uittredingsprocedure op grond van artikel 2:343 BW wordt een deskundige benoemd om de aandelenprijs te bepalen. De A-G concludeert dat het appelverbod uit artikel 2:339 lid 1 BW tegen die benoeming niet kan worden doorbroken, omdat de beslissing de instructie van de zaak betreft. Het arrest van de OK is daarom een tussenarrest waartegen zonder verlof geen tussentijds cassatieberoep openstaat. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid.
Kernoverwegingen
“Met deze toelichting heeft de wetgever duidelijk gemaakt dat de aard van de beslissing tot het benoemen van (een) deskundige(n) die over de prijs van de aandelen moet(en) adviseren, in de weg staat aan afzonderlijke procedures over die benoeming. Uit de hiervoor onder 2.5 geciteerde toelichting op de wijziging van art. 2:339 lid 1 in de Wet Vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht kan worden afgeleid dat de wens van de wetgever om de lange duur van uittredingsprocedures te voorkomen, nog onverminderd leeft.”
r.o. 2.11
“Niet alle appelverboden kunnen evenwel worden doorbroken. Zo heeft de Hoge Raad bijvoorbeeld geoordeeld dat het bij de beslissing op het verzet tegen verandering of vermeerdering van eis (art. 130 lid 2 Rv) om een marginale toetsing gaat en voorts dat deze beslissing niet definitief is en eiser dus ook geen rechten ontneemt, zodat het rechtsmiddelenverbod van deze bepaling niet kan worden doorbroken. De regel hierbij is dat het wettelijk rechtsmiddelenverbod niet kan worden doorbroken indien de aard van de beslissing zich daartegen verzet.”
r.o. 2.14
“De beslissing om een of meer deskundigen te benoemen is voorgeschreven in verband met de tweede fase van de uittredingsprocedure, te weten de prijsbepaling van de aandelen, maar is op zichzelf genomen een beslissing die betrekking heeft op de instructie van de zaak. Een dergelijk rechtsmiddelenverbod kan m.i. niet worden doorbroken met een beroep op een van de doorbrekingsgronden.”
r.o. 2.15