Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 17 februari 2017
Omzetting kerkgenootschap in stichting; analoge toepassing artikel 2:18 BW
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap wil zich omzetten in een stichting en vraagt de rechtbank om machtiging. De rechtbank legt prejudiciële vragen voor aan de Hoge Raad. De A-G concludeert dat artikel 2:18 BW via artikel 2:2 lid 2 BW overeenkomstig kan worden toegepast op kerkgenootschappen, in beide richtingen. De rechter toetst daarbij zoveel mogelijk gebruikelijk, maar onthoudt zich van inmenging in geloofszaken.
Kernoverwegingen
“Artikel 2:2 lid 1 BW bepaalt dat kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, rechtspersoonlijkheid bezitten.”
r.o. 4.2
“Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank – opnieuw zij verwezen naar hetgeen hierna onder 4.15.1 tot en met 4.15.4 wordt overwogen – dient bij de beantwoording van die vervolgvragen in het onderhavige geval onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds vragen die raken aan de (vrijheid van) inrichting en de interne verhoudingen binnen NIISA als zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap en anderzijds vragen die niet raken aan het interne domein van NIISA. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank dient zij bij de door haar uit te voeren toets ten aanzien van de eerstbedoelde vragen terughoudendheid te betrachten en geldt dat veel minder voor de door haar uit te voeren toets ten aanzien de laatste categorie vragen. Een verdergaande bemoeienis harerzijds laat zich naar het voorlopig oordeel van de rechtbank niet verenigen met de in de Grondwet verankerde scheiding van kerk en staat, vrijheid van godsdienst en vrijheid van vereniging.”
r.o. 4.11
“Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank dient de beantwoording van de tweede vraag – of overeenkomstige toepassing van artikel 2:18 BW in het onderhavige geval geoorloofd is, omdat dit is te verenigen met haar statuut en met de aard der onderliggende verhoudingen – in beginsel aan NIISA te worden gelaten. Die beantwoording vergt immers onderzoek naar en beoordeling van feiten en omstandigheden in het interne domein van NIISA als zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap. Overigens stelt de rechtbank in dit kader vast dat het “statuut” van NIISA (het Algemeen Reglement) het onderwerp omzetting niet regelt en wijst zij op artikel 18 daarvan. De rechtbank merkt voorts op dat (de besturen van) NIISA en NIHS het erover eens zijn dat de onderhavige omzetting haar beslag dient te krijgen.”
r.o. 4.12