Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 20 oktober 2017
Verhaalsfrustratie na ontbinding vof: aansprakelijkheid van rechtspersoon-bestuurder en haar bestuurder
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Personenvennootschappen
- Boek 2 BW
- Personenvennootschappen
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Na de ontbinding van een vof zette een vennoot de activiteiten voort in een nieuwe vennootschap, waarna de andere vennoot de rechtspersoon-bestuurder en haar bestuurder in privé aansprakelijk hield wegens verhaalsfrustratie. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep: het hof mocht de maatstaf uit Roco/Staat hanteren en oordelen dat de nieuwe vennootschap niet met geen ander doel dan het frustreren van verhaal was opgericht. Artikel 2:11 BW leidt dan niet tot aansprakelijkheid van de bestuurder van de rechtspersoon-bestuurder.
Kernoverwegingen
“Dit oordeel van het hof is m.i. gezien het door Levrier in feitelijke instanties aangevoerde onjuist noch onbegrijpelijk. In rov. 3.18 van het eerste tussenarrest zet het hof de gehanteerde maatstaf uiteen: oprichten met geen ander doel dan het verhaal van Levrier onmogelijk maken terwijl bovendien deze gang van zaken daadwerkelijk een vermindering van de verhaalsmogelijkheden inhield, is onrechtmatig jegens Levrier. Dit onrechtmatig handelen kan dan worden verweten aan [verweerster 2] als bestuurder van Jekerveste en [A] die dit dan immers moet hebben bewerkstelligd (hetgeen als een ernstig verwijt moet worden gekwalificeerd), en kan op grond van artikel 2:11 BW tevens worden toegerekend aan [verweerder 3] als bestuurder van deze holding. In zijn onderzoek of van een dergelijk onrechtmatig handelen sprake is, beoordeelt het hof de overheveling, de gewraakte mededeling door [verweerder 3] als ook de omleiding van de facturering via Beheer MIJ. Dit is naar mijn mening goed te volgen nu de kern van het betoog van Levrier (zo volgt uit het geschetste partijdebat) is dat [verweerster 2] en [verweerder 3] de activiteiten van Jekerveste naar [A] hebben overgeheveld om zo onder de (mogelijke) betalingsverplichting uit de Beëindigingsovereenkomst uit te komen. Weliswaar heeft Levrier in de inleidende dagvaarding verscheidene grondslagen opgeworpen met betrekking tot haar vordering jegens Jekerveste c.s., maar in appel heeft het debat zich toegespitst op de voornoemde overheveling. […]”
r.o. 3.15
“In het onderhavige arrest zet het hof de te hanteren maatstaf uiteen in rov. 3.18 van het eerste tussenarrest en rov. 6.3.2 van het tweede tussenarrest. Het moet volgens het hof gaan om de voortzetting van de activiteiten in een andere vennootschap met geen ander doel dan het onmogelijk maken van verhaal, terwijl dit handelen een daadwerkelijke verminderen van de verhaalsmogelijkheden inhoudt en de schuldeiser van de vennootschap die deze activiteiten voorheen verrichtte, is benadeeld. Deze maatstaf kan worden afgeleid uit Roco/Staat en is gezien het bovenstaande juist verwoord. Nu het hof in rov. 6.3.2 – 6.3.5 (voldoende gemotiveerd en op begrijpelijke wijze) uiteenzet dat de financiële positie van Jekerveste ultimo 2008 precair was, dat voor de overname door Jekerveste van 11 van de 14 bij de VOF werkzame personen (aanzienlijke) financiële middelen nodig waren, dat Jekerveste ultimo 2008 niet over de daartoe noodzakelijke liquide middelen beschikte, is het oordeel van het hof dat Jekerveste c.s. hiermee de voorshands bewezen geachte stelling dat (thans) Meerssen Architecten is opgericht met geen ander doel dan het onmogelijk maken van verhaal door Levrier heeft ontzenuwd, gezien de hiervoor uiteengezette maatstaf, onjuist noch onbegrijpelijk. Voor zover de klacht betoogt dat het hof hiermee heeft geoordeeld dat geen sprake is van aansprakelijkheid als er ook een bijkomende bedoeling is voor de oprichting van de nieuwe vennootschap, berust het op een verkeerde lezing van […]”
r.o. 3.21
“Deze klacht faalt. Uit Stichting Waaldijk/ [G] en Rainbow Products/Ontvanger (als opvolgers van Roco/Staat) blijkt dat het maken van misbruik van identiteitsverschil in de regel moet worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht. Deze verplichting tot schadevergoeding zal dan niet alleen rusten op de persoon die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de betrokken rechtspersonen tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen heeft gebracht, doch ook op deze rechtspersonen zelf, omdat het ongeoorloofde oogmerk van degene die hen beheerst rechtens dient te worden aangemerkt als een oogmerk ook van henzelf. Het hof heeft daarom terecht de maatstaf uit Roco/Staat gehanteerd voor zowel het oordeel of [A] als [verweerster 2] en [verweerder 3] een onrechtmatige daad hebben gepleegd. Gezien de verwijzing naar (de maatstaf uit) dit arrest in de beide tussenarresten is dit oordeel ook niet onbegrijpelijk. Voor zover de klacht tracht te betogen dat voor de aansprakelijkheid van [A] als (rechtspersoon)bestuurder – in overeenstemming met Ontvanger/ [H] – (aanvullend) een ernstig verwijt nodig is, merk ik op dat het hof hiervan rekenschap heeft gegeven in rov. 3.18 van het eerste tussenarrest waarin het oordeelt: “dit onrechtmatig handelen kan dan worden verweten aan [verweerster 2] als bestuurder van Jekerveste en [A] , die dit kan immers moet hebben bewerkstelligd (hetgeen als een ernstig […]”
r.o. 3.38