← Week 49

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 8 december 2017

Externe bestuurdersaansprakelijkheid trustkantoor bij schending Wte; geen vermoeden, geen collectieve aansprakelijkheid

  • Aansprakelijkheid afgewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Beleggers in een mislukt vastgoedproject spreken een trustkantoor aan dat bestuurder was van de projectvennootschappen, wegens schending van de effectenwetgeving door de medebestuurder. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. Een vermoeden van persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders bij schending van financieelrechtelijke voorschriften past niet bij de ernstig verwijt-maatstaf, en de collectieve aansprakelijkheid van artikel 2:9 BW geldt niet voor externe aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad.

Kernoverwegingen

“De ernstig verwijt-maatstaf is bovendien flexibel. Daardoor is de rechter in staat aan de hand van alle omstandigheden van het geval tot een billijke uitkomst te komen. Daarbij moet rekening worden gehouden met onder meer de aard, de ernst en de frequentie van de normschending door de bestuurder, en de mate van schuld. Een belangrijke vuistregel is ook of voor de bestuurder voorzienbaar was (of had moeten zijn) dat zijn handelen of nalaten tot benadeling van crediteuren van de vennootschap zou leiden; de ‘objectieve wetenschap-maatstaf’. Als daar niet van blijkt, is het moeilijk voorstelbaar dat de bestuurder een ernstig verwijt treft.”

r.o. 2.2.6

“Het door het middel geponeerde concept van een vermoeden van aansprakelijkheid druist in tegen de hiervóór aangehaalde vaste rechtspraak, waarin is uitgemaakt dat voor de persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders een verzwaarde maatstaf en dus een hoge drempel geldt. Het middel miskent aldus eveneens de door Uw Raad gegeven rechtvaardiging voor die verzwaarde aansprakelijkheidsmaatstaf. De door [eisers] verdedigde rechtsopvatting leidt er toe dat een bestuurder van een onderneming die onder de Wft valt, wordt vermoed persoonlijk aansprakelijk te zijn voor een wetsovertreding door die onderneming, ook als hij niet wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de onderneming als gevolg van die wetsschending haar verplichtingen jegens vennootschapscrediteuren niet zou kunnen nakomen.”

r.o. 2.2.8

“Ik stel voorop dat van een trustmaatschappij die als bestuurder instapt in vennootschappen die speciaal zijn opgericht om beleggers te interesseren voor een project, in zijn algemeenheid mag worden verwacht dat zij zich vooraf op de hoogte heeft gesteld van de aard en omvang van de (beoogde) activiteiten en dat, als daarbij effecten aan het publiek worden uitgegeven, zij er als professionele partij niet onkundig van kan zijn dat daar een vergunning voor is vereist. Daarmee staat echter nog niet vast dat, wanneer de vennootschap zonder vergunning handelt of een andere wettelijke verplichting schendt, een trustmaatschappij-bestuurder een ernstig verwijt treft. Óf dat laatste zo is - en ook: of de trustmaatschappij zich de belangen van de beleggers had moeten aantrekken - zal afhangen van de omstandigheden van het geval, waarbij de stelplicht en de bewijslast in beginsel liggen bij de partij die zich op bestuurdersaansprakelijkheid beroept, bijvoorbeeld gedupeerde beleggers.”

r.o. 2.2.14

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2017:1419
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
8 december 2017
Datum publicatie
30 maart 2018
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW, 2:9 BW, 6:194 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid, Overig Boek 2
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
afgewezen
Weekoverzicht
Week 49 van 2017

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.