Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 8 december 2017
Schadestaatprocedure bestuurdersaansprakelijkheid: omvang schade en voordeelstoerekening
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
In een schadestaatprocedure na vastgestelde bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad is de omvang van de schade aan de orde. De A-G acht het oordeel van het hof over de uitleg van zijn eerdere arrest en over de stelplicht bij een gestelde kostenbesparing niet onbegrijpelijk of onjuist. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Bij de behandeling van dit onderdeel stel ik voorop dat de onderhavige procedure een schadestaatprocedure is, waarin de omvang van de te vergoeden schade wordt vastgesteld. In de hoofdzaak is de grondslag voor deze aansprakelijkheid vastgesteld. Ten opzichte van de hoofdzaak is de schadestaatprocedure geen afzonderlijk geding in de zin van art. 236 lid 1 Rv (die bepaling is immers niet vermeld in art. 615a Rv). Het gezag van gewijsde vormt in de schadestaatprocedure daarom geen beletsel. Wel kan door toepassing van de leer van de bindende eindbeslissing hetzelfde effect worden verwezenlijkt. Als een (bindende) eindbeslissing is genomen in de hoofdzaak, bindt dit in beginsel de rechter in de schadestaatprocedure. Als een dergelijke beslissing betrekking heeft op toe- of afwijzing van schade, kan die beslissing niet met een daaropvolgende schadestaatprocedure opzij worden gezet.”
r.o. 3.3
“In het bestreden arrest legt het hof het oordeel van datzelfde hof in de hoofdprocedure zo uit dat het hof daar ten aanzien van de vordering van [verweerder] heeft overwogen dat de eerste termijn van € 63.430,53 zonder meer vaststaat, vanwege de vermelding in het proces-verbaal en het daaraan door de wet toegekende gevolg dat sprake is van erkenning, en dat dit voor de tweede termijn niet geldt, zodat daarover nog debat in deze schadestaatprocedure mogelijk is. Gezien de tekst van de uit te leggen rechtsoverweging is dat niet onbegrijpelijk; daarin werd immers geoordeeld dat (ten aanzien van de eerste termijn) “moet worden aangenomen dat de vordering van [verweerder] in het faillissement van [A] is erkend tot het bedrag van € 63.430,53. Die vordering kan dus ook jegens [eisers] tot maximaal dat bedrag als vaststaand worden beschouwd” en (ten aanzien van de tweede termijn) dat hieraan niet afdoet dat “uit andere gedingstukken – die niet de kracht van een authentieke akte hebben – valt af te leiden dat [verweerder] meent recht te hebben op tweemaal dat bedrag.” Daarbij komt (ten aanzien van de tweede termijn) dat uit de tekst van art. 615 Rv volgt dat de eiser vrij is om in de schadestaatprocedure nieuwe schadeposten op te voeren, en in de hoofdprocedure als eindbeslissing (slechts) naar de schadestaat is verwezen.”
r.o. 3.6
“In het licht van het hierboven geschetste partijdebat is niet onbegrijpelijk het oordeel van het hof in rov. 3.9 dat [eisers] (in het licht van de gemotiveerde betwisting door [verweerder]) in onvoldoende mate heeft gesteld, uitgewerkt, gekwantificeerd en onderbouwd dat er een besparing is geweest, hoe [eiser 1] die is geweest en waarom en in hoeverre die besparing tot een vermindering van de betalingsverplichtingen van [A] jegens [verweerder] zou hebben geleid. Nu [verweerder] gemotiveerd heeft aangevoerd dat het feit dat de oogst tegenviel niet inhoudt dat [verweerder] minder werk/kosten heeft gehad aan het verwerken van de bollen, is te begrijpen dat het door [eisers] gestelde op dit punt door het hof niet voldoende is geacht (de enkele stelling dat het zo moet zijn dat het verwerken van minder bollen tot minder kosten moet hebben geleid en dat van extra werk geen sprake kan zijn geweest omdat de kiek allang weg was is hiervoor – zo oordeelt het hof niet onbegrijpelijk – niet voldoende). De ontwikkeling van het partijdebat brengt immers mee dat van een partij meer informatie mag worden verwacht in het licht van wat de wederpartij heeft aangevoerd. Van een onjuiste rechtsopvatting door het hof met betrekking tot de stelplicht van [eisers] is dan ook geen sprake. Daar komt bij dat tussen partijen vaststaat dat er onder het teeltcontract drie termijnen moesten worden betaald door [A] (zo volgt uit rov. 3.5.2). De hoogte van deze termijnen staat tussen partijen eveneens vast […]”
r.o. 3.19