Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 3 februari 2017
Leeghalen dochtervennootschap door aandeelhouder: causaal verband en verloren verhaalsmogelijkheden
- Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een koper van aandelen liet na de overname de assurantieportefeuille van de overgenomen vennootschap aan zichzelf leveren zonder betaling, waardoor een vordering van de verkoper oninbaar werd. Het hof stelde het onrechtmatig handelen vast, maar wees de vordering af wegens onvoldoende onderbouwd causaal verband. De A-G meent dat het hof een onjuiste maatstaf hanteerde: beoordeeld moet worden welke verhaalsmogelijkheden er zonder de transactie waren geweest, zo nodig bij schatting. Hij concludeert tot vernietiging en verwijzing.
Kernoverwegingen
“De onrechtmatige gedraging bestaat er daarmee in de kern uit dat Rixtel een vermogensbestanddeel (de assurantieportefeuille) van De Provinciale buiten het bereik van de crediteuren heeft gebracht. De dientengevolge door de gezamenlijke crediteuren geleden schade bestaat dan uit het bedrag waarop zij ‘anders’ (zonder de overdracht) verhaal hadden kunnen nemen. Dit volgt uit eerdere rechtspraak van Uw Raad. Uw Raad overwoog in het arrest Kameleon Beheer:
“5.2.2 Volgens het hof heeft de onrechtmatige daad van [eisers] hierin bestaan dat mede door hun toedoen een gedeelte van de feitelijke verkoopopbrengst van het huis te Voerendaal – het gedeelte dat niet in de akte is vermeld – aan het zicht van de crediteuren van [betrokkene 1] is onttrokken. De dientengevolge door die crediteuren geleden schade bestaat dan uit het gedeelte van deze meeropbrengst waarop zij verhaal hadden kunnen nemen. Dit is alleen het gedeelte dat aan [betrokkene 1] toekwam.””
r.o. 3.6
“Voor de beoordeling van het causaal verband in de zin van condicio sine qua non verband dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de feitelijke situatie (de vaststelling van hetgeen daadwerkelijk is voorgevallen) en de hypothetische situatie zonder de onrechtmatige gedraging (de vaststelling van hetgeen daadwerkelijk zou zijn gebeurd zonder de normschending).”
r.o. 3.13
“Het hof had in dat licht moeten beoordelen hoe de inning van de vordering zonder de overdracht van de assurantieportefeuille zou zijn verlopen. Daarbij komt het erop aan of Hofstad in dat geval verhaal zou hebben kunnen nemen op (de inkomsten uit) die portefeuille en in hoeverre Hofstad naar redelijke verwachting van die mogelijkheid gebruik zou hebben gemaakt. Deze beoordeling kan zo nodig op basis van een (in)schatting geschieden (hiervoor 3.7).”
r.o. 3.15