← Week 19

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 12 mei 2017

Verjaring vordering op opgehouden vennootschap en borgtocht: reikwijdte artikel 2:23c lid 2 BW

  • Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een borg stelt dat de borgtocht is tenietgegaan omdat de vordering op de hoofdschuldenaar zou zijn verjaard, nadat de vennootschap na faillissement bij gebrek aan baten heeft opgehouden te bestaan. De A-G meent dat de verlengingsgrond van artikel 2:23c lid 2 BW ook geldt zonder dat de vereffening is heropend, zodat geen verjaring is voltooid en stuiting niet nodig is. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Naar mijn mening heeft het hof terecht geoordeeld dat van voltooiing van de verjaring van de rechtsvordering van Rabobank op de – niet meer bestaande – vennootschap geen sprake is. De vennootschap kan immers op grond van art. 2:23c lid 1 BW herleven. Rabobank zou in dat geval haar vordering alsnog geldend kunnen maken en de herleefde vennootschap zou Rabobank, gelet op de verlengingregeling van lid 2 van art. 2:23c BW, niet kunnen tegenwerpen dat haar vordering is verjaard.”

r.o. 3.12

“Toch volg ik het standpunt van het cassatiemiddel niet. Mijns inziens is lid 2 van art. 2:23c BW ook van betekenis wanneer, zoals in het onderhavige geval, van herleving (nog) geen sprake is. Waar het om gaat is dat, gelet op de mogelijkheid van herleving, zich een echte voltooiing van de verjaring van de rechtsvordering van Rabobank op de – niet bestaande – vennootschap niet voordoet. De door het cassatiemiddel gehuldigde opvatting zou ertoe leiden dat een eenmaal voltooide verjaringstermijn op een later moment (namelijk na herleving van de vennootschap) toch niet voltooid kan blijken te zijn geweest. Dat lijkt mij ongewenst.”

r.o. 3.14

“Ook vanuit het perspectief van de overeenkomst van borgtocht bestaan er wat mij betreft geen goede redenen voor het aanvaarden van het door het cassatiemiddel verdedigde standpunt. Zoals hiervoor vermeld, beschermt art. 7:853 BW de borg tegen onmogelijkheid van regres op de hoofdschuldenaar wegens verjaring van de vordering van de schuldeiser op de hoofdschuldenaar. Die situatie doet zich hier niet voor: dat de eventuele regresvordering van [eiser] niet geldend gemaakt kan worden komt doordat de vennootschap bij afwezigheid van baten heeft opgehouden te bestaan en niet doordat de vordering van Rabobank op de vennootschap is verjaard. Bovendien geldt, als gezegd, voor de vordering op de borg een separate verjaringstermijn. Niet gezegd kan daarom worden dat, in de benadering van het hof, het rechtszekerheidsbelang van [eiser] als schuldenaar in het gedrang komt.”

r.o. 3.15

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2017:525
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
12 mei 2017
Datum publicatie
30 juni 2017
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:19 BW, 2:23a BW, 2:23c BW, 3:320 BW, 7:853 BW
Thema
Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
Weekoverzicht
Week 19 van 2017

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.