Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 8 september 2017
Bestuurdersaansprakelijkheid voor pensioenpremies; melding betalingsonmacht en administratie (conclusie A-G)
- Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een bedrijfstakpensioenfonds spreekt een gewezen bestuurder persoonlijk aan voor onbetaalde pensioenpremies wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur. De A-G concludeert dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de administratie doelbewust buiten de procedure zou zijn gehouden en dat het eindarrest daarom moet worden vernietigd. Daarnaast meent hij dat één melding van betalingsonmacht in beginsel volstaat voor ook latere premieverplichtingen, zolang de achterstand niet is ingelopen.
Kernoverwegingen
“Middel I is ongegrond. Dat de aansprakelijkstelling van 4 februari 2013 niet expliciet melding maakt van kennelijk onbehoorlijk bestuur, betekent niet dat de vordering van het bedrijfstakpensioenfonds in de onderhavige procedure niet meer op deze grondslag zou mogen worden beoordeeld.”
r.o. 4.2
“Het oordeel van het hof dat de administratie van Kantrans niet is overgedragen aan [betrokkene 1] en dat de administratie – het hof bedoelt blijkbaar: doelbewust – buiten de procedure is gehouden, berust op de vaststelling door het hof dat, anders dan [eiser] heeft gesteld, de overdracht van de administratie aan [betrokkene 1] niet notarieel is vastgelegd. Ik meen dat deze vaststelling het genoemde oordeel niet kan dragen. Weliswaar kan de overdracht van de administratie (of een plicht daartoe) inderdaad niet uit de notariële akte worden afgeleid, dat betekent nog niet dat de conclusie kan worden getrokken dat de overdracht van de administratie niet heeft plaatsgevonden en dus ook niet dat de administratie doelbewust buiten de procedure is gehouden. [eiser] heeft zich ter onderbouwing van zijn stelling niet alleen beroepen op de notariële akte. Hij heeft ook aangevoerd – samengevat – dat de overdracht van de administratie bij de aandelenoverdracht voortvloeit uit de wet en uit door de betrokken partijen gemaakte afspraken. Ter onderbouwing van dit laatste heeft [eiser] onder meer verwezen naar de notulen van de aandeelhoudersvergadering van Kantrans van 18 november 2010, waarin op pagina 2 is vermeld:
“De heer [betrokkene 1] is nu in het bezit gesteld van de gehele complete administratie van vennootschap waarin vervat de verschillende briefwisselingen en waaronder de boekhouding over deze jaren tot heden, dat alles omvat een enkele verhuis dozen.”
Het hof is op deze […]”
r.o. 4.6
“In dit laatste volg ik het bedrijfstakpensioenfonds niet. De ratio van de meldingsplicht is dat een bedrijfstakpensioenfonds spoedig bekend raakt met betalingsproblemen, zodat het zich kan beraden op de opstelling dat het ten aanzien van het lichaam zal voeren (zie hiervoor onder 3.6). Het lijkt mij niet wenselijk de eis te stellen dat bij elke nieuwe betalingsverplichting opnieuw een melding moet worden gedaan. Bedacht moet worden dat het niet voldoen aan de meldingsplicht voor de bestuurder verstrekkende consequenties kan hebben (zie hiervoor onder 3.4). Ik zou willen aannemen dat in beginsel met één melding kan worden volstaan, zolang de achterstand nog niet is ingelopen.”
r.o. 5.6