Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 21 september 2018
Hoofdelijke aansprakelijkheid voormalig vof-vennoot voor bankkrediet; hoor en wederhoor in hoger beroep
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Een voormalig vennoot van een vof wordt door een bank hoofdelijk aangesproken voor de terugbetaling van een aan de vof verstrekt krediet. De A-G concludeert tot vernietiging en verwijzing omdat het hof de vennoot niet in de gelegenheid heeft gesteld te reageren op de vermeerderde eis en op nieuwe stellingen van de bank (hoor en wederhoor). De klachten over de zorgplicht van de bank en over de toestemming van de echtgenote op grond van artikel 1:88 BW falen volgens de A-G, waarbij hij overweegt dat bij een vof geen sprake is van een schuld van een derde.
Kernoverwegingen
“Ad (b). Wat betreft de stellingen van ING in haar memorie van antwoord met betrekking tot het schriftelijkheidsvereiste (rov. 3.12.1) staat voorop dat het hierbij gaat om een nieuwe stelling, dienende tot betwisting van de stelling van [eiser] (grief 3) dat ING hem uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de nakoming van de overeenkomst met de vof had ontslagen. Te dien aanzien is van belang dat in de memorie van antwoord nieuwe feiten en stellingen mogen worden aangevoerd. Uit het beginsel van hoor en wederhoor volgt dat appellant hierop moet kunnen reageren voordat de rechter daarop zijn oordeel kan baseren (art. 19 Rv). Volgens vaste rechtspraak van Uw Raad heeft de omstandigheid dat de appellant niet meer op de memorie van antwoord heeft gereageerd, in het algemeen ten gevolge dat feiten en stellingen die bij memorie van antwoord zijn aangevoerd, niet als onweersproken respectievelijk juist mogen worden aangemerkt. Tegen deze achtergrond moet worden aangenomen dat het in de voorliggende zaak van tweeën één was: het hof diende óf de nieuwe stelling van ING buiten beschouwing te laten, óf, indien het zijn beslissing op die nieuwe stelling wilde baseren, [eiser] om een reactie te vragen.”
r.o. 2.9
“Uit het voorgaande volgt dat in het licht van het beginsel van hoor en wederhoor en het akteverzoek van [eiser] terecht wordt geklaagd dat het hof over de vermeerderde eis en de stellingen van ING betreffende het schriftelijkheidsvereiste heeft geoordeeld zonder dat [eiser] zich daarover heeft kunnen uitlaten. Onderdeel 1 slaagt.”
r.o. 2.10
“Subonderdeel 2.3 faalt nu de bijzondere zorgplicht niet zover gaat dat steeds een waarschuwingsplicht op de bank rust, ook indien er geen sprake is van bijzondere risico’s, dat wil zeggen risico’s die duidelijk verschillen van algemeen bekende, zonder waarschuwing inzichtelijke risico’s, ter zake waarvan op de bank een zorgplicht kan rusten (zoals bij optiehandel en effectenleaseovereenkomsten). ’s Hofs oordeel omtrent de gestelde waarschuwingsplicht ter zake de hoofdelijkheidsverklaring in rov. 3.10.1-3.10.2 is in dat licht geenszins onbegrijpelijk. Daarbij teken ik nog aan dat het hof terecht in zijn beoordeling heeft betrokken dat de hoofdelijkheidsverklaring in grote lijnen aansluit bij hetgeen ook rechtens reeds gold op basis van art. 18 WvK.”
r.o. 2.16