← Week 40

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 5 oktober 2018

Vertegenwoordigingsbevoegdheid bestuurder en Kribbenbijter-maatstaf bij borgtocht

  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een advocatenkantoor vordert betaling van declaraties op grond van een volgens het kantoor mondeling overeengekomen borgtocht met een vennootschap, aangegaan via haar bestuurder. De A-G wijst erop dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de bestuurder krachtens artikel 2:130 BW niet ter discussie staat en dat de vraag of de bestuurder namens de vennootschap handelde, moet worden beoordeeld met de Kribbenbijter-maatstaf. Omdat onduidelijk is of het hof die maatstaf heeft toegepast, concludeert hij tot vernietiging en verwijzing.

Kernoverwegingen

“In cassatie staat niet ter discussie dat [betrokkene 4] als bestuurder van Unisphere bevoegd was om Unisphere te vertegenwoordigen. Ook in feitelijke instanties was deze vraag, als ik het goed zie, als zodanig geen onderwerp van debat. Het bestuur vertegenwoordigt de vennootschap, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit (art. 2:130 lid 1 BW). De vertegenwoordigingsbevoegdheid komt mede toe aan een individuele bestuurder, tenzij uitzonderingen zijn gemaakt op diens vertegenwoordigingsbevoegdheid en die uitzonderingen een wettelijke grondslag hebben (art. 2:130 lid 2 BW). Alleen dergelijke uitzonderingen op de vertegenwoordigingsbevoegdheid hebben werking tegenover derden, mits deze door de vennootschap worden ingeroepen (art. 2:130 lid 3 BW).”

r.o. 2.5.2

“Dat het middel toch de kwestie van vertegenwoordigingsbevoegdheid agendeert, komt door het slot van rov. 3.8. Daarin gaat het over de bescherming van gerechtvaardigd vertrouwen op schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid bij (in beginsel) volmacht op de voet van art. 3:61 lid 2 BW. Het vertrouwen op de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid moet volgens die bepaling zijn terug te voeren op verklaringen of gedragingen van de vertegenwoordigde (‘toedoen’) dan wel, volgens HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK7671 (ING/Bera), op feiten en omstandigheden die voor risico van de vertegenwoordigde komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. Dit risicobeginsel gaat, zo overwoog de Hoge Raad in een later arrest, niet zo ver dat voor toepassing daarvan ook ruimte is in gevallen waarin het tegenover de wederpartij gewekte vertrouwen uitsluitend is gebaseerd op verklaringen of gedragingen van de onbevoegd handelende persoon. Uit het arrest ING/Bera volgt dat de rechter in zijn uitspraak mede feiten of omstandigheden dient vast te stellen die de onbevoegd vertegenwoordigde betreffen en die rechtvaardigen dat laatstgenoemde in zijn verhouding tot de wederpartij het risico van de onbevoegde vertegenwoordiging draagt.”

r.o. 2.5.3

“Naar mijn mening heeft het hof in de eerste volzin van rov. 3.8 − uitgaande van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [betrokkene 4] dan wel die bevoegdheid nog even in het midden latend − getoetst of ( [eiseres] er gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat) [betrokkene 4] handelde namens Unisphere. Het hof behoefde niet met zoveel woorden te overwegen dat het daarbij de Kribbenbijter-maatstaf voor ogen had, mits uit zijn arrest kan worden afgeleid dat het deze maatstaf heeft toegepast. Daarover bestaat echter twijfel gezien het vervolg van rov. 3.8. Met name kan naar mijn mening niet met voldoende zekerheid worden gezegd, dat het hof voor de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van het vertrouwen van [eiseres] een juiste maatstaf heeft gehanteerd. Uit het vervolg van rov. 3.8 blijkt namelijk dat het hof heeft getoetst of [eiseres] mocht vertrouwen op een aan Unisphere toerekenbare schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [betrokkene 4] . Dat is een andere vraag dan de vraag of [eiseres] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [betrokkene 4] handelde als bestuurder van en dus namens Unisphere. Dit is problematisch, omdat de door het hof in rov. 3.8 genoemde feiten en omstandigheden in het licht van de vraag of ( [eiseres] er gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat) [betrokkene 4] handelde als bestuurder van Unisphere, een andere betekenis kunnen hebben dan zij zouden kunnen hebben in het licht van de vraag of [eiseres] mocht vertrouwen op een aan Unisphere toerekenbare […]”

r.o. 2.8

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2018:1111
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
5 oktober 2018
Datum publicatie
25 oktober 2018
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:130 BW, 3:61 BW, 3:33 BW, 3:35 BW
Thema
Overig Boek 2
Weekoverzicht
Week 40 van 2018

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.