Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 23 november 2018
Bestuurdersaansprakelijkheid wegens frustratie van verhaal na vernietigde paardenkoop; conclusie tot verwerping
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Na vernietiging van een paardenkoop wegens dwaling betaalde de verkopende vennootschap de koopsom niet terug en bleek zij zonder activa. Het hof hield de (indirect) bestuurders persoonlijk aansprakelijk wegens frustratie van verhaal. De A-G concludeert dat de cassatieklachten falen: het hof heeft onverhaalbaarheid, bijzondere omstandigheden en een ernstig persoonlijk verwijt in zijn overwegingen vastgesteld en voldoende gemotiveerd. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Dat het hof heeft aangenomen dat [B] inderdaad geen verhaal biedt, volgt uit rechtsoverweging 2.15. In de eerste zin van die overweging zegt het hof dat Melisa gemotiveerd heeft gesteld dat [eiser 2] [B] kennelijk in een positie heeft gebracht dat de vennootschap, anders dan op 26 oktober 2011, niet meer in staat was aan haar restitutieverplichting te voldoen. In het vervolg van de overweging oordeelt het hof dat [eiser 2] dit onvoldoende heeft bestreden, waarbij het hof onder verwijzing naar het arrest van uw Raad van 3 april 1992, ECLI:NL:HR:ZC0564 inzake Van Waning/Van der Vliet overweegt dat het op de weg van [eiser 2] lag om aannemelijk te maken dat geen sprake was van betalingsonwil bij hem als bestuurder. Dit werkt het hof vervolgens nader uit door te zeggen dat in het bijzonder van [eiser 2] verwacht had mogen worden dat hij nader zou hebben uitgelegd waaraan de koopsom voor [… ] is besteed of welke ontwikkelingen in [B] ertoe hebben geleid dat de vennootschap op 26 november 2011 nog wel, maar nadien niet meer in staat was de koopsom, zelfs niet deels, te restitueren. Ook hierin ligt besloten dat het hof heeft aangenomen dat [B] geen verhaal biedt. De hiervoor onder 3.14 sub 1 bedoelde klacht treft dus geen doel.”
r.o. 3.16
“Mede in het licht van deze passage uit de memorie van antwoord behoefde het oordeel van het hof dat [eiser 2] onvoldoende had bestreden dat [B] geen verhaal biedt, geen nadere motivering.”
r.o. 3.20
“Voor de hiervoor onder 3.14 sub 2 bedoelde klacht geldt goeddeels hetzelfde als voor die sub 1. Dat het hof heeft aangenomen dat [eiser 2] wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de niet-verhaalbaarheid het gevolg van het door hem als bestuurder bewerkstelligde of toegelaten handelen van de rechtspersoon zou zijn, ligt besloten in het oordeel van het hof in rechtsoverweging 2.15 dat [eiser 2] de stelling van Melisa dat hij [B] kennelijk in een positie heeft gebracht dat de vennootschap, anders dan op 26 oktober 2011, niet meer in staat was aan haar restitutieverplichting te voldoen, onvoldoende heeft bestreden.”
r.o. 3.22