← Week 49

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 7 december 2018

Enquêtebevoegdheid van middellijk aandeelhouder via buitenlandse tussenholding; gelijkstelling met aandeelhouder

  • Enquêterecht
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een middellijk aandeelhouder, die via een Luxemburgse tussenholding een belang houdt in de vennootschap waarover hij een enquête wil, is door de OK niet-ontvankelijk verklaard. De A-G bespreekt uitgebreid wetsgeschiedenis en rechtspraak over gelijkstelling van economisch gerechtigden met aandeelhouders (artikel 2:346 BW) en concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Omtrent een structurele aanspraak van [verzoeker] jegens Europa Leasing (via Proma) ter zake van dividenduitkeringen is niets komen vast te staan. [verzoeker] heeft wel gesteld (verzoekschrift sub 34) dat op enig moment dividend aan hem uitgekeerd zou worden, maar toen dat niet gebeurde (maar hem gelden ten titel van lening zijn verstrekt) heeft hij zich niet op een aanspraak als vorenbedoeld beroepen, althans niet gesteld of gebleken is dat hij dat vervolgens heeft gedaan. Het enkele verzoek om correctie van het als lening uitgekeerde bedrag, zegt in dit verband onvoldoende. De Ondernemingskamer stelt vast dat [verzoeker] zich in dit kader ook niet heeft beroepen op het bepaalde in de Overeenkomst vastlegging sub w (waarin staat dat “aanwezige overtollige liquiditeit in de onderneming” ter beschikking wordt gesteld aan Safrec en Ecsa), hetgeen overigens de vraag oproept wat op dit punt de status is van de bewuste overeenkomst na de ontwikkelingen die zich sinds de ondertekening daarvan hebben voorgedaan (waaronder de verkoop van de aandelen Proma aan Chisinau in augustus 2012).”

r.o. 3.17

“Het spreekt voor zich dat, als in het voorafgaande niet zou zijn uitgegaan van de veronderstelling dat [verzoeker] voor 50% aandeelhouder is van Proma, de hiervoor genoemde conclusie niet anders zou zijn.”

r.o. 3.21

“Ik merk voorts op dat in cassatie uitsluitend aan de orde is de invulling die de ondernemingskamer aan deze Scheipar-leer heeft gegeven. De ondernemingskamer overweegt in rov. 3.22 terecht en in cassatie onbestreden dat een concernenquête via Proma niet aan de orde is. De Landis-leer kan onder omstandigheden een alternatief bieden voor een indirecte aandeelhouder of certificaathouder die niet aan de vereisten voor economische gerechtigheid voldoet. Een concernenquête is in de onderhavige casus echter niet mogelijk, omdat Proma een Luxemburgse vennootschap is. De ondernemingskamer kan hierin geen enquête gelasten, omdat art. 2:344 BW het enquêterecht beperkt tot de aldaar genoemde naar Nederlands recht opgerichte rechtspersonen (nr. 3.13 hiervoor).”

r.o. 3.24

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2018:1354
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
7 december 2018
Datum publicatie
7 december 2018
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:344 BW, 2:345 BW, 2:346 BW, 2:347 BW, 2:349a BW
Thema
Enquêterecht
Weekoverzicht
Week 49 van 2018

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.