Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 12 januari 2018
Agenderingsrecht aandeelhouder: geen afdwingbaar stempunt over bestuursbevoegdheid (Boskalis/Fugro)
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een aandeelhouder wilde een aanbeveling aan het bestuur om een beschermingsconstructie te beëindigen als stempunt op de agenda van de algemene vergadering laten plaatsen. De A-G concludeert dat de aandeelhouder wel kan agenderen, maar geen stemming kan afdwingen over een onderwerp waarvoor de algemene vergadering geen besluitvormingsbevoegdheid heeft. Artikel 2:114a BW en de Aandeelhoudersrichtlijn bieden daarvoor geen grondslag; het cassatieberoep faalt volgens hem.
Kernoverwegingen
“Ik vat het voorafgaande samen. Het bestuur en de rvc stellen de agenda van de aandeelhoudersvergadering vast. Sinds de introductie van het agenderingsrecht van artikel 2:114a BW kan ook de aandeelhouder verzoeken om onderwerpen die op de vennootschap en haar onderneming betrekking hebben, op de agenda te plaatsen. Dat geldt ook ingeval de algemene vergadering geen wettelijke of statutaire bevoegdheid tot het nemen van een besluit heeft. Wel hebben het bestuur en de rvc de mogelijkheid om in uitzonderlijke gevallen agendering van een onderwerp te weigeren op grond van de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW.”
r.o. 4.34
“Mijn gevolgtrekking uit het voorafgaande is dat de overweging van de Hoge Raad dat het bestuur niet verplicht is de algemene vergadering vooraf in zijn besluitvorming te betrekken als het gaat om handelingen waartoe het bestuur bevoegd is, een begrenzing van het agenderingsrecht voor de aandeelhouders meebrengt. De overwegingen van de Hoge Raad dat het bestuur niet verplicht is om de algemene vergadering te consulteren over onderwerpen waarvoor de algemene vergadering geen wettelijke of statutaire bevoegdheid heeft, impliceren mijns inziens dat het bestuur niet verplicht is zo’n onderwerp op verzoek van een agenderingsbevoegde aandeelhouder ter stemming op de agenda te plaatsen.”
r.o. 4.53
“Anders gezegd: een agenderingsrecht dat zich uitstrekt tot alle onderwerpen die verband houden met de vennootschap en haar onderneming (dus ook die tot de bevoegdheid van het bestuur behoren), gecombineerd met het verplicht in stemming brengen van een aanbeveling over dat onderwerp, zou leiden tot een door de agenderingsbevoegde aandeelhouder afdwingbare consultatieplicht van het bestuur op alle onderdelen van het bestuursbeleid. Die metamorfose van het agenderingsrecht in een consultatieplicht is in strijd met de vereiste bestuurszelfstandigheid, zoals de Hoge Raad deze mijns inziens heeft voorgeschreven en daarmee in strijd met dwingend recht. Kortom: mijns inziens mag het bestuur zijn zelfstandigheid beschermen met behulp van zijn bevoegdheid tot het vaststellen van de agenda.
Maakt de inkleding van een verzoek om een stemming als motie verschil?”
r.o. 4.54