← Week 48

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 30 november 2018

Einde en afwikkeling vof; firmant aansprakelijk voor rekening-courantschuld; verjaring artikel 6:140 BW

  • Personenvennootschappen
  • Boek 2 BW
  • Personenvennootschappen

Samenvatting

Een BV vordert van twee oud-firmanten van een ontbonden vof betaling van een rekening-courantschuld. De A-G concludeert dat een vof niet eindigt door feitelijke staking van de samenwerking: na ontbinding blijft zij bestaan voor de vereffening, zodat het saldo nog namens de vof kon worden vastgesteld en de verjaring tijdig is gestuit. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“De klachten doen een beroep op art. 7:417 BW jo. 7:424 BW. Voor zover het hof op basis van deze bepalingen al tot het oordeel van onbevoegdelijk dienen van twee heren had moeten komen (vgl. nr. 3.3 hiervoor en nr. 3.6 hierna), leidt dat, anders dan het onderdeel stelt, niet tot onbevoegde vertegenwoordiging. De sanctie op het onbevoegdelijk dienen van twee heren is dat de lasthebber zijn recht op loon verliest en gehouden is tot vergoeding van de door de lastgever geleden schade die is ontstaan als gevolg van het onbevoegdelijk dienen van twee heren. Die sanctie is dwingendrechtelijk geregeld in art. 7:417 lid 3 BW. De overeenkomst die de lasthebber namens beide partijen sluit, blijft geldig. Dit volgt uit het gebruik van de wettelijke formulering met ‘mag’ in art. 7:417 lid 1 BW (in plaats van ‘kan’ in bijv. art. 7:416 lid 1 BW) en blijkt ook uit de wetgeschiedenis.”

r.o. 3.5

“Het onderdeel treft geen doel. Het onderdeel stelt terecht voorop dat samenwerking tussen de vennoten een wezenskenmerk is van een VOF. Voor de kwalificatievraag, of een samenwerkingsovereenkomst tussen twee of meer vennoten kwalificeert als VOF, is de feitelijke constellatie beslissend en niet hoe de vennoten de overeenkomst zelf hebben geëtiketteerd. In dat opzicht verschilt het personenvennootschapsrecht van het rechtspersonenrecht. Bij rechtspersonen is de formele oprichtingshandeling beslissend en blijft de rechtspersoon vooralsnog ook bestaan als hij niet langer voldoet aan zijn wettelijke omschrijving. In de onderhavige zaak gaat het echter niet om deze kwalificatievraag. In cassatie staat vast dat [eiser] en [betrokkene 1] hebben samengewerkt in een VOF en dat die samenwerking op enig moment is beëindigd. Het gaat om de vraag op welk moment de VOF is beëindigd en de rechtsgevolgen daarvan. Het onderdeel is te kort door de bocht dat met het einde van de (feitelijke) samenwerking de VOF eindigt en dat op het moment van het einde van de (feitelijke) samenwerking de rechtsgevolgen, zoals het niet meer kunnen vertegenwoordigen van de VOF op de voet van art. 17 K, zijn ingetreden. Aan een VOF kan op verschillende manieren een einde komen. Als bij een VOF met twee vennoten één vennoot uittreedt, eindigt de vennootschap. Een VOF met één vennoot kan immers niet bestaan. De onderneming zou dan als eenmanszaak kunnen worden voortgezet. Een andere mogelijkheid is dat de […]”

r.o. 3.8

“In cassatie staat vast dat de samenwerking tussen [eiser] en [betrokkene 1] feitelijk medio 2007 is geëindigd. Het hof gaat er in rov. 5.8 dan ook terecht vanuit dat de onderneming van [eiser] en [betrokkene 1] (Scannel) in 2007 is gestaakt (“in het licht van de staking van de onderneming sedert 2007”). Anders dan het onderdeel stelt, is de VOF op dat moment nog niet geëindigd. De VOF heeft in ieder geval nog bestaan tot 1 januari 2010. De VOF is met ingang van 1 januari 2010 ontbonden (nr. 1.4). De aard van de samenwerking tussen de vennoten is na het staken van de onderneming gewijzigd. Zij is vanaf medio 2007 niet langer gericht op het behalen van gezamenlijk voordeel. De rechtsbetrekkingen van de VOF dienen nog wel te worden afgewikkeld. Onderdeel van die afwikkeling is het vaststellen van het saldo van de rekening-courantverhouding met Gravene en, indien blijkt van een schuld van Scannel aan Gravene, het voldoen van die schuld. Ik begrijp het oordeel van het hof in rov. 5.7 en 5.8 zo dat het saldo van de rekening-courantverhouding tussen Scannel en Gravene op basis van de saldibalans over 2007 is vastgesteld op het moment van staking van de onderneming van Scannel. Het hof heeft in rov. 3.1 van zijn arrest immers ook als feit vastgesteld (zie ook nr. 1.1) dat “Tussen Gravene (…) en Scannel (…) een samenwerking [heeft] bestaan die geëindigd is medio 2007”. Anders dan het onderdeel klaagt, doet het staken van de onderneming medio 2007 niet af aan de rechtsgevolgen die het […]”

r.o. 3.9

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2018:1408
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
30 november 2018
Datum publicatie
8 februari 2019
Spoor
Boek 2 BW, Personenvennootschappen
Wetsartikelen
6:140 BW, 7:417 BW, 3:316 BW
Thema
Personenvennootschappen
Weekoverzicht
Week 48 van 2018

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.