← Week 50

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 14 december 2018

Bestuurdersaansprakelijkheid voor niet-nagekomen huurgarantie; onbekendheid rechtsregel en tweede aansprakelijkheidsgrond

  • Aansprakelijkheid deels toegewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een schuldeiser vordert van de bestuurders van een garantstellende vennootschap schadevergoeding omdat de huurgarantie niet werd nagekomen. De A-G beoordeelt de Beklamel-norm en de tweede aansprakelijkheidsgrond (bewerkstelligen of toelaten van niet-nakoming) en wijst op het vereiste van een voldoende ernstig verwijt, mede gelet op artikel 2:9 BW. Volgens hem kon het hof het beroep op de tweede grond niet afdoen op de onbekendheid van de bestuurders met een rechtsregel, nu het ook de periode na het arrest van 2013 betreft. Hij concludeert tot vernietiging en verwijzing.

Kernoverwegingen

“Het betreft hier dus een geval van niet-nakoming door een vennootschap ( [A] ). Uitgangspunt is dat alleen de vennootschap, en niet haar bestuurders, hiervoor kan worden aangesproken. Een eventuele vordering van de vennootschapscrediteur op de bestuurders kan dan ook niet gebaseerd worden op een contractuele verbintenis, maar moet op de voet van onrechtmatige daad geschieden (art. 6:162 BW). Uit het arrest Ontvanger/[…] volgt dat een bestuurder slechts aansprakelijk kan worden gehouden vanwege het door de vennootschap onbetaald laten van een vordering indien deze bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld wanneer hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.”

r.o. 3.32

“Beide gronden voor aansprakelijkheid van een bestuurder jegens de schuldeisers van de vennootschap hebben gemeen dat voor aansprakelijkheid vereist is dat (in het algemeen) alleen dan kan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld wanneer hem persoonlijk, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. De overeenkomsten tussen beide gronden nemen niet weg dat de gronden twee verschillende situaties betreffen zodat een beroep op ieder van de situaties steeds op zijn eigen merites beoordeeld moet worden. De situaties laten zich onder meer van elkaar onderscheiden doordat de hiervoor in randnummer 3.32 onder (i) aangeduide grond ziet op hetgeen de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis met de schuldeiser wist of behoorde te weten, terwijl het bij de onder (ii) genoemde grond kan gaan om alle handelingen, dus ook (wellicht zelfs: juist) die ná het aangaan van de verbintenis, waardoor wordt bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar verbintenis niet nakomt.”

r.o. 3.35

“De klacht slaagt. Het beroep op de tweede grond moet worden onderscheiden van het beroep op de Beklamel-norm, en ziet niet (uitsluitend) op het moment waarop [A] de huurgarantie gaf, maar (ook) op de periode daarna waarin – naar de stelling van Nieuwburen – het bestuur van [A] bewerkstelligde dan wel toeliet dat [A] haar verplichtingen uit de huurgarantie niet nakwam, onder meer door het vermogen van [A] opzettelijk negatief te houden en selectief gelden binnen de groep van vennootschappen te verdelen. Nieuwburen heeft daarbij in haar appeldagvaarding (onder meer) gedragingen en omstandigheden aangevoerd uit de periode 2008 tot en met 2014, dus ook ten aanzien van de periode na het 2013-arrest. Het hof kon dit beroep op de tweede grond niet afdoen enkel op de in rov. 3.10 aangenomen onbekendheid van [verweerders] met de uit het 2013-arrest voortvloeiende rechtsregel. Ik licht dit als volgt toe.”

r.o. 3.39

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2018:1501
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
14 december 2018
Datum publicatie
15 februari 2019
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW, 2:9 BW, 6:217 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
deels toegewezen
Weekoverzicht
Week 50 van 2018

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.