Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 21 december 2018
Curaçaose enquête: anterieure feiten en reikwijdte van het bevolen onderzoek
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een Curaçaose enquêtezaak bepleit de A-G dat een enquête mede op feiten van vóór de inwerkingtreding van het enquêterecht mag worden gebaseerd, gelet op de onmiddellijke werking van de regeling. Daarnaast mag het hof de onderzoeker toestaan ook andere verwijten te betrekken, waarvan de gegrondheid in het midden is gelaten, mits die licht werpen op de vastgestelde gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Het onderdeel faalt. Met deze klacht beoogt MHS antwoord te krijgen op de principiële vraag of het hof op basis van anterieure feiten een onderzoek naar wanbeleid ex art. 2:271 BWC kan gelasten (randnummer 5). Het hof heeft in een reeks van beschikkingen - in rov. 2.3 van de bestreden beschikking aangeduid als vaste rechtspraak - aangenomen dat het op grond van het overgangsrechtelijke regime van de onmiddellijke werking van de wettelijke regeling van enquêterecht (art. 2:270-2:286 BWC) mogelijk is om zich (mede) te baseren op anterieure feiten. In rov. 2.3 verwijst het hof in dit verband naar zijn beschikking van 13 juni 2017. Tegen de beschikking van 13 juni 2017 in een andere zaak - de Aqualectra-zaak - is eveneens cassatieberoep ingesteld. Op 30 maart 2018 heb ik in de Aqualectra-zaak geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft op 6 juli 2018 een beschikking gewezen in die zaak. De kernoverweging van die beschikking luidt:
“3.4.4 (…) [H]et verlenen van onmiddellijke werking aan de art. 2:282 en 2:283 BWC [brengt] mee dat het daarin neergelegde rechtsgevolg (de bevoegdheid van het hof tot het vaststellen van wanbeleid, het aanwijzen van de daarvoor verantwoordelijke personen en het treffen van voorzieningen) mede kan berusten op feiten die zich voor de inwerkingtreding van die bepalingen hebben voorgedaan. Daarmee is van terugwerkende kracht geen sprake.”
Het oordeel van de Hoge Raad dat het ex art. 2:282 en 2:283 BWC mogelijk is om wanbeleid […]”
r.o. 3.3
“Uit deze passage in de MvT kan voorts als uitgangspunt worden afgeleid dat de feitelijke grondslag voor (toewijzing van) het enquêteverzoek reeds in de voorfase vastligt. Naarmate de enquêteprocedure vordert, kan in beginsel nog slechts de kwalificatie van de feiten wijzigen: een bezwaar kan gegronde reden voor twijfel aan een juist beleid opleveren en die gegronde reden voor twijfel kan, na onderzoek, leiden tot het oordeel wanbeleid. Dat brengt met zich dat tussen de bezwaren (zoals vooraf kenbaar gemaakt en genoemd in het enquêteverzoek) en de gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid een zodanig nauw verband dient te bestaan dat zij op hetzelfde onderwerp betrekking hebben. Dat gaat echter niet zover dat de bedoelde redenen met zoveel woorden in de bedoelde bezwaren zouden moeten worden genoemd. Het zou wel in strijd komen met de aard van het voortschrijdende proces als de ondernemingskamer of het hof een enquêteverzoek zou toewijzen op geheel andere gronden dan die welke in de bezwaren kenbaar zijn gemaakt. Nieuwe bezwaren, die voor het eerst in het verzoekschrift naar voren worden gebracht, dienen bij de beoordeling of sprake is van gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid, buiten beschouwing te blijven.”
r.o. 3.13
“Mijns inziens kan het volgende uit de hiervoor genoemde rechtspraak van het hof en de ondernemingskamer over de reikwijdte van het bevolen onderzoek worden afgeleid. In de eerstefasebeschikking wordt een onderscheid gemaakt tussen feiten en omstandigheden die “zelfstandig voorwerp van onderzoek” zijn en feiten en omstandigheden die “in het onderzoek kunnen worden betrokken” of waaraan in het onderzoek “aandacht kan worden besteed”. Zelfstandig voorwerp van onderzoek zijn de vastgestelde gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid. Wordt in de beschikking niets opgemerkt over de gegrondheid van de overige bezwaren dan wel wordt de gegrondheid van die overige bezwaren in de beschikking in het midden gelaten dan wel worden die overige bezwaren in de beschikking ongegrond bevonden, geldt als uitgangspunt dat die overige bezwaren niet in het onderzoek worden betrokken. Dat is dan een impliciete beperking van de onderzoeksopdracht. Daarnaast kan in de beschikking uitdrukkelijk worden bepaald dat bepaalde onderwerpen geen deel zullen uitmaken van het onderzoek. Als in de beschikking wel is bepaald dat onderwerpen, die niet kwalificeren als gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid of waarvan de gegrondheid in de beschikking in het midden wordt gelaten, in het onderzoek kunnen worden betrokken of aan die onderwerpen in het onderzoek aandacht mag worden besteed, geldt het idee dat die onderwerpen in het onderzoek kunnen worden betrokken tot op zekere hoogte. Die […]”
r.o. 3.21