Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 30 maart 2018
Pandexecutie aandelen via blokkeringsregeling: is toestemming voorzieningenrechter nodig?
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Bij pandexecutie op aandelen in een besloten vennootschap rijst de vraag of verkoop met naleving van de statutaire blokkeringsregeling nog toestemming van de voorzieningenrechter vereist. De advocaat-generaal acht artikel 2:198 lid 6 jo 2:195 BW een lex specialis ten opzichte van de algemene executieregels van Boek 3. Zo'n verkoop is volgens haar een executoriale verkoop met zuiverende werking, zonder toestemming. Zij concludeert tot vernietiging van de beschikking van het hof.
Kernoverwegingen
“Naar mijn mening dient de regeling van art. 2:198 lid 6 jo 2:195 BW te worden opgevat als een lex specialis ten opzichte van de algemene executiebepalingen van art. 3:250 BW e.v. Anders dan in het middel bepleit, kwalificeert een door de pandhouder met naleving van een blokkeringsregeling tot stand gebrachte verkoop mijns inziens als een executoriale verkoop, en wel met zuiverende werking ten aanzien van lager gerangschikte pandrechten en beslagen (art. 3:248 lid 3 BW). Indien de naleving van de blokkeringsregeling niet tot resultaat leidt, kan de pandhouder de executie vervolgen met inachtneming van de algemene regels van Boek 3 BW. Ik vind voor deze opvatting steun in de systematiek van de wet en de wetsgeschiedenis.”
r.o. 4.18
“Daarbij is enerzijds van belang dat de algemene regeling van de executie van een pandrecht in Boek 3 is opgezet vanuit het beginsel van openbare verkoop (art. 3:250 BW). Andere wijzen van executie – afwijkende verkoop met rechterlijke toestemming, verblijven aan de pandhouder, overeengekomen afwijkende verkoop (art. 3:251 leden 1 en 2 BW) – gelden als uitzonderingen op dat beginsel. Waar de verplichte naleving van een blokkeringsregeling – zoals de onderhavige statutaire aanbiedingsregeling – zich niet verdraagt met toepassing van de hoofdregel, is a fortiori geen plaats voor toepassing van de uitzonderingen. Daar komt nog bij dat de blokkeringsregeling in de zienswijze van de wetgever fungeert als een beperking van het verpande goed zelf, zodat nakoming uit dien hoofde onontkoombaar is (nemo plus-gedachte, zie hiervoor onder 4.7, laatste citaat). Anderzijds heeft de wetgever in Boek 2 de toepassing van blokkeringsregelingen bij pandexecutie ongeclausuleerd voorgeschreven; met name worden daarbij geen voorbehouden gemaakt of nadere (goedkeurings)eisen gesteld. De toelichting (zie hiervoor onder 4.7) gaat er bovendien zonder meer vanuit dat sprake is van executie. Voorts vormt de regeling van art. 2:195 lid 7 BW, volgens welke een blokkeringsregeling – een prijsbepalingsregeling daaronder begrepen – (slechts) onder strenge voorwaarden buiten toepassing kan worden verklaard, een indicatie dat art. 2:198 lid 6 BW exclusief van toepassing is. Het in de literatuur aangetroffen […]”
r.o. 4.19
“Uit het voorgaande volgt dat naar mijn mening in de bestreden beschikking het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de met naleving van de statutaire blokkeringsregeling tot stand gekomen onderhandse verkoop nog rechterlijke toestemming als bedoeld in art. 3:251 lid 1 BW behoefde om (met zekerheid) te kunnen worden gekwalificeerd als executoriale verkoop met zuiverende werking. Voor zover het middel in de subonderdelen 1.1 en 1.2 betoogt dat het hof heeft miskend dat voor verkoop door een pandhouder via de blokkeringsregeling geen toestemming van de voorzieningenrechter is vereist, slaagt het derhalve.”
r.o. 4.20