Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 1 juni 2018
Afgeleide schade van holding-aandeelhouder bij onrechtmatige gemeentebesluiten
- Overig Boek 2
- Aandelenwaardering
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een holding vordert van een gemeente vergoeding van waardevermindering van haar aandelen en gederfd dividend na onrechtmatige bestuursrechtelijke besluiten die vooral haar dochtermaatschappij raakten. De dochtermaatschappij had zelf geen vordering vanwege de formele rechtskracht van de besluiten. De advocaat-generaal concludeert dat afgeleide schade van een aandeelhouder ook bij een zelfstandige grondslag slechts bij uitzondering wordt vergoed. Dat de schade voor de dochtermaatschappij definitief is, is daarvoor niet voldoende. De Hoge Raad oordeelt blijkens de formele relaties anders.
Kernoverwegingen
“Het leerstuk van afgeleide schade ziet, als gezegd, op de situatie waarin een aandeelhouder geconfronteerd wordt met waardevermindering van zijn aandelen in een vennootschap als gevolg van onrechtmatig handelen of wanprestatie van een derde jegens de vennootschap, waardoor het vermogen van de vennootschap wordt geraakt. Omdat de aandeelhouder schade lijdt via het vermogen van de vennootschap, wordt van ‘afgeleide’ schade gesproken. Het is vaste rechtspraak van Uw Raad dat de aandeelhouder in een dergelijk geval in beginsel geen recht heeft op vergoeding van deze schade. De reden daarvoor is, zoals Uw Raad overwoog in het arrest Poot/ABP, dat de vennootschap zelf een aanspraak op schadevergoeding heeft. Als zij deze te gelde maakt, stijgt de waarde van de aandelen weer, zodat ook de aandeelhouder in zoverre per saldo geen schade (meer) lijdt.”
r.o. 3.23
“Hoewel de door Uw Raad gebruikte formuleringen in deze arresten, die een periode van bijna 15 jaar bestrijken, niet identiek zijn, lijkt het wel mogelijk een tussenbalans op te maken. Een aandeelhouder heeft in principe geen zelfstandige vordering ter zake van waardevermindering van de aandelen of gemiste koerswinsten op degene die wanprestatie heeft gepleegd of onrechtmatig heeft gehandeld jegens de (dochter)vennootschap. Hij lijdt zo weliswaar schade, maar kan vergoeding daarvan niet vorderen. De aandeelhouder is voor vergoeding van deze via de (dochter)vennootschap geleden schade afhankelijk van vergoeding van de schade aan de (dochter)vennootschap en daarmee van een claim van de (dochter) vennootschap op degene die onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Het feit dat de (dochter)vennootschap geen vordering meer heeft of berust in afwijzing ervan, waardoor haar schade ‘definitief’ is, levert op zichzelf de aandeelhouder geen zelfstandige vordering op. Een zelfstandige vordering kan pas aan de orde zijn wanneer er rechtstreeks onrechtmatig jegens de aandeelhouder is gehandeld; wanneer een specifieke ten behoeve van hem in acht te nemen rechts- of zorgvuldigheidsnorm is geschonden. Dit is als het ware de drempel die geslecht moet worden, een minimumvereiste waaraan in ieder geval moet zijn voldaan.
Welke schade komt vervolgens voor vergoeding in aanmerking?”
r.o. 3.37
“Voordat ik nu aan een concrete bespreking van de klachten toekom, een korte samenvatting. Ook afgeleide schade kan voor vergoeding in aanmerking komen indien niet alleen onrechtmatig is gehandeld jegens de (dochter)vennootschap maar ook jegens de aandeelhouder(s) zelf, waarvoor vereist is dat jegens de aandeelhouder(s) een specifieke rechts- of zorgvuldigheidsnorm is overtreden. Afgeleide schade komt ook dan evenwel slechts bij uitzondering voor vergoeding in aanmerking: in principe niet, maar bij uitzondering, na een aanvullende nadere toetsing, eventueel wel. In het kader van die toetsing kan de omstandigheid dat de (dochter)vennootschap in kwestie zelf niet (meer) de mogelijkheid heeft de schade te verhalen gewicht in de schaal leggen, maar beslissend is zij niet. Bijvoorbeeld ook de oorzaak van het ontbreken van die onmogelijkheid en de vraag of de aandeelhouder in dit verband bijvoorbeeld iets valt te verwijten zijn van belang. Daar komt nog bij dat het enkele feit dat de bij vergoeding van afgeleide schade gevreesde complicaties in concreto zullen uitblijven, vergoeding nog niet wenselijk maken (hierna randnummer 3.53). Vereist zijn bijzondere omstandigheden, die meebrengen dat in het onderhavige geval wel tot vergoeding zou moeten worden overgegaan. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan omstandigheden zoals deze aan de orde waren in de meergenoemde zaak Kip en Sloetjes/Rabobank .”
r.o. 3.51