Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 1 juni 2018
Beloning commissaris die tijdelijk bestuurstaken verricht: alleen de AVA is bevoegd
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een naamloze vennootschap vordert van haar voormalige commissaris terugbetaling van een managementvergoeding die de RvC had vastgesteld voor bestuurstaken die hij tijdelijk verrichtte. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep: alleen de algemene vergadering kan de beloning van een commissaris vaststellen, ongeacht de aard van de werkzaamheden, en een tijdelijk bestuurstaken verrichtende commissaris blijft commissaris. Kennis van individuele aandeelhouders of bestuurders geldt niet als kennis van de algemene vergadering. De conclusie is contrair aan het latere arrest van de Hoge Raad.
Kernoverwegingen
“In het Nederlandse vennootschapsrecht heeft de wetgever de rolverdeling tussen de organen van de vennootschap tot op zekere hoogte dwingendrechtelijk (vgl. artikel 2:25 BW) voorgeschreven. De hoofdregel is dat benoeming van bestuurders geschiedt door de AV. De bezoldiging van bestuurders wordt eveneens vastgesteld door de AV, tenzij bij de statuten een ander orgaan is aangewezen. In de onderhavige casus is van die statutaire afwijkingsmogelijkheid gebruikgemaakt door te bepalen dat de RvC de bezoldiging van bestuurders vaststelt. Commissarissen worden benoemd door de AV. De bezoldiging van commissarissen wordt eveneens vastgesteld door de AV. Tot 1 oktober 2004 (Stb. 2004, 405) was het nog mogelijk in de statuten te bepalen dat een ander orgaan de bezoldiging van commissarissen vaststelt. De reden voor wijziging van de wet op dit punt is geweest dat door deze bevoegdheid dwingendrechtelijk bij de AV te beleggen, wordt uitgesloten dat de RvC zijn eigen beloning vaststelt (zie nr. 3.4 van deze conclusie). In de onderhavige casus is de bevoegdheid tot vaststelling van de bezoldiging van commissarissen ook aan de AV gegeven.”
r.o. 3.8
“De slotsom is dat de grieven in het principaal appel deels slagen en die in het incidenteel appel falen. Het in conventie gewezen vonnis zal worden vernietigd en de vordering van Imeko zal alsnog worden toegewezen tot het bedrag van € 563.750,- vermeerderd met - als verder niet bestreden - de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 31 maart 2008. Het in reconventie gewezen vonnis zal worden bekrachtigd en [eiser] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het principaal en incidenteel appel.””
r.o. 3.14
“De klachten falen. Het subonderdeel druist in tegen de rechtsregels van HR 6 januari 2012 (nr. 3.2 e.v.). Een aanvullende vergoeding voor de door [eiser] als tijdelijke bestuurder verrichte “daden van bestuur” kan slechts door de AV worden toegekend. De aard van de verrichte werkzaamheden is niet van belang voor de vraag welk orgaan bevoegd is tot vaststelling van de vergoeding. De AV is daartoe bevoegd op grond van artikel 23 van de statuten; artikel 18.7 van de statuten is niet van toepassing voor het vaststellen van een vergoeding voor een commissaris die is aangewezen als tijdelijke bestuurder. Het oordeel van het hof getuigt, in lijn met HR 6 januari 2012, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.”
r.o. 3.22