Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 15 juni 2018
Belanghebbende bij ontslag stichtingsbestuur en ontbinding stichting; tweekringenleer
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een lid en voormalig bestuurslid van een vereniging verzocht om ontslag van het bestuur van een aan de vereniging gelieerde stichting, subsidiair om ontbinding van de stichting. Hij werd niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen belanghebbende zou zijn. De A-G concludeert dat het hof de tweekringenleer te streng heeft toegepast: een specifiek en concreet belang of een formele relatie is niet vereist, en de proportionaliteit van de gevraagde maatregel en alternatieve controle spelen bij ontvankelijkheid geen rol. Hij concludeert tot vernietiging en verwijzing.
Kernoverwegingen
“Daarnaast is in de literatuur onderkend dat de reikwijdte van de tweede kring- belanghebbende in de zin van art. 2:298 BW, waar het in deze zaak om draait, enigszins is verruimd. De reikwijdte beweegt zich daarbij tussen twee uitersten. Enerzijds moet een te ruime uitleg worden voorkomen. Het verzoek in art. 2:298 BW staat niet voor eenieder open. Art. 2:298 BW is geen actio popularisen moet dat ook niet worden. Het begrip belanghebbende vereist een zekere mate van, zelfs nauwe, betrokkenheid bij het onderwerp van geschil. Anderzijds moet door een te beperkte uitleg van het begrip worden voorkomen dat het met art. 2:298 BW beoogde rechterlijke toezicht op het bestuur (nr. 3.1) “een papieren tijger” wordt. De reikwijdte van de tweede kring zoals geformuleerd in HR 6 juni 2003 en HR 10 november 2006 – kort gezegd: anderszins nauw betrokken zijn of zijn geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld – is ontegenzeggelijk ruimer dan de benadering in HR 25 oktober 1991 die er kort gezegd in bestond dat om aangemerkt te kunnen worden als tweede kring-belanghebbende het besluit van de stichting waartegen wordt opgekomen moet leiden tot een specifiek en concreet nadeel voor de persoon in zijn verhouding tot de rechtspersoon. In de toepassing die de Hoge Raad in rov. 3.4.3 van de Stichting IHD-beschikking aan de maatstaf voor tweede kring-belanghebbende geeft, komt die middenweg tussen actio popularis en ‘papieren tijger’ mijns inziens duidelijk tot uiting. Volgens de […]”
r.o. 3.8
“Het hof acht het mogelijke effect van de gevraagde voorzieningen relevant door in rov. 2.11 te overwegen dat ontslag van stichtingsbestuurders of ontbinding van de stichting “buitengewoon zwaar ingrijpen in (de governance van) de Stichting”. De omstandigheid dat als het verzoek zou slagen door het ontslag van stichtingsbestuurders zwaar wordt ingegrepen in (de governance van) de Stichting is mijns inziens een factor die meeweegt bij de inhoudelijke vraag of de voorziening door de rechter kan worden toegewezen. Dat is een vraag van proportionaliteit. Bij de vraag of een belanghebbende kan worden ontvangen in zijn verzoek dient de proportionaliteit naar mijn mening niet dan wel minder zwaar mee te wegen.”
r.o. 3.17
“De rechtbank kent in rov. 5.6 betekenis toe aan de omstandigheid dat er “een (andere) structuur aanwezig is, die tegenwicht kan bieden tegen het zelfstandig en/of eigenmachtig optreden van het bestuur van de stichting.” De rechtbank acht de omstandigheid dat door de algemene vergadering van het ANV “in voldoende mate controle [kan] plaatsvinden op het beleid van de Stichting en er geen noodzaak [bestaat] om de kring van belanghebbenden in dit geval zodanig op te rekken dat [verzoeker] als belanghebbende kan of moet worden aangemerkt” van belang. Het bestaan van een alternatieve structuur voor extern toezicht is volgens mij bij de ontvankelijkheidsvraag geen relevante omstandigheid. Bij de inhoudelijke vraag of de gevraagde voorziening, het ontslag van de stichtingsbestuurders, moet worden toegewezen, kan mijns inziens wel relevant zijn of een alternatieve toezichtstructuur aanwezig is. Als bijvoorbeeld een (onafhankelijke) raad van toezicht is ingesteld die op grond van de statuten de bevoegdheid heeft het bestuur te ontslaan, ligt ingrijpen door de rechter minder voor de hand. Als de inrichting van de stichting voorziet in een adequate vorm van intern toezicht, wat naar mijn idee meer behelst dan collegiaal bestuurlijk toezicht (vgl. nr. 3.1) of, zoals de rechtbank in onderhavige zaak overwoog, indirecte controle door de algemene vergadering van het ANV, kan de rechter zich bij toewijzing van het verzoek tot extern toezicht wat terughoudender opstellen.”
r.o. 3.18