← Week 16

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 20 april 2018

Curaçaos enquêterecht: wanbeleid vaststellen op feiten van vóór 1 januari 2012

  • Enquêterecht
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een conclusie over het Curaçaose enquêterecht: kan het Hof wanbeleid vaststellen en verantwoordelijken aanwijzen op feiten van vóór de invoering van de regeling op 1 januari 2012? De A-G acht dat mogelijk omdat het Curaçaose overgangsrecht uitgaat van onmiddellijke werking en het concordantiebeginsel niet tot een andere uitleg dwingt. Het enquêterechtelijke legaliteitsbeginsel staat alleen aan definitieve voorzieningen op uitsluitend anterieure feiten in de weg. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“De klacht treft geen doel. ’s Hofs oordeel als uiteengezet in rov. 4.1.7, inhoudende dat het ook wanbeleid in de zin van artikel 2:282 lid 1 BWC kan vaststellen op grond van feiten die zich vóór 1 januari 2012 hebben voorgedaan, geeft mijns inziens geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Het oordeel van het Hof berust op een niet onjuiste of onbegrijpelijke interpretatie van het Curaçaose overgangsrecht. De gedachtegang op basis waarvan het Hof tot het oordeel komt dat het in de zin van artikel 2:282 lid 1 BWC wanbeleid kan vaststellen op grond van feiten die zich vóór 1 januari 2012 hebben voorgedaan is uiteengezet in de genoemde eerdere beschikkingen (zie voor de relevante rechtsoverwegingen nr. 3.8-3.10 van deze conclusie), waarnaar het Hof ter onderbouwing van haar oordeel in rov. 4.1.7 van de bestreden beschikking verwijst.”

r.o. 3.16

“Eerst nog iets over de verhouding tussen onmiddellijke werking en terugwerkende kracht ad (ii), waarover ik hiervoor al enige algemene opmerkingen maakte. Het Hof heeft daarover in een van de eerdere beschikkingen in een andere zaak – geheel in lijn met het werk van Hijmans van den Bergh – het volgende overwogen:

“Onder onmiddellijke werking – en niet onder terugwerkende kracht – valt ook het gegeven dat de nieuwe wet van haar inwerkingtreding af een “andere rechtswaarde” verleent aan zogenoemde anterieure feiten (vgl. Parl.Gesch. Overgangsrecht, p. 11 e.v., van het nieuw Burgerlijk Wetboek van Nederland).”

Onderdeel 11 sub a klaagt dat, wat ook van die “andere rechtswaarde” zij, het Hof daarmee niet automatisch ook op basis van anterieure feiten wanbeleid ex artikel 2:282 BWC kan vaststellen. Dat hangt volgens het onderdeel af van de wettelijke regeling in kwestie. Zoals blijkt uit ’s Hofs overweging is de zinsnede “andere rechtswaarde” ontleend aan de Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek [van Nederland], Invoering Boeken 3, 5 en 6, Overgangsrecht, p. 11. Deze passage uit de Nederlandse parlementaire geschiedenis ziet op het overgangsrecht voor het Nederlandse vermogensrecht (Boeken 3, 5 en 6), niet (ook) op het Nederlandse rechtspersonenrecht (Boek 2). Het onderdeel lijkt te stellen dat het toekennen van een “andere rechtswaarde” op basis van anterieure feiten relevant is voor het vermogensrecht, maar niet voor het rechtspersonenrecht, door twee […]”

r.o. 3.26

“Het onderdeel faalt. Het Hof heeft mijns inziens terecht voorbij mogen gaan aan een met het Nederlandse overgangsrecht concorderende interpretatie. Ik verwijs naar hetgeen ik hiervoor in nr. 3.26 heb opgemerkt over het wezenlijk andere uitgangspunt van het Curaçaose rechtspersonenrechtelijke overgangsrecht – dat op grond van artikel 2 lid 1 Landverordening overgangsrecht nieuw Burgerlijk Wetboek in beginsel vasthoudt aan onmiddellijke werking – ten opzichte van het Nederlandse rechtspersonenrechtelijke overgangsrecht, waar reeds bij de invoering van het enquêterecht in 1928 géén onmiddellijke werking werd aanvaard (welk uitgangspunt voor het rechtspersonenrecht nadien ook werd gehandhaafd in artikel 29 lid 1 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek). Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Landsverordening herziening Boek 2 BW heeft het Hof mijns inziens terecht mogen opmaken dat voor de Curaçaose enquêteregeling het overgangsrechtelijke regime van de onmiddellijke werking geldt. In de Memorie van Toelichting bij de Landsverordening herziening Boek 2 BW, de wijziging waarbij het recht van enquête (titel 8 van Boek 2 BWC) per 1 januari 2012 werd ingevoerd, heeft het Hof immers gelezen dat de algemene regel is dat de nieuwe bepalingen vanaf de dag van invoering werking hebben (onmiddellijke werking) en dat aan deze regel in beginsel kan worden vastgehouden. Voor het enquêterecht is geen uitzondering gemaakt op het overgangsrechtelijke beginsel van onmiddellijke werking. Daaraan […]”

r.o. 3.29

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2018:742
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
20 april 2018
Datum publicatie
6 juli 2018
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:270 BWC, 2:271 BWC, 2:276 BWC, 2:282 BWC, 2:283 BWC, 2:54 BW, 2:55 BW
Thema
Enquêterecht
Weekoverzicht
Week 16 van 2018

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.