Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 29 juni 2018
Uitleg koopovereenkomst en cessie ter incasso; artikel 2:250 BW genoemd bij commissariaat
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
- Zijdelings
Samenvatting
Cassatiezaak over de uitleg van een commerciële koopovereenkomst van aandelen in een bv en over een cessie ter incasso die pas in hoger beroep wordt ingebracht. Boek 2 speelt slechts zijdelings een rol: de A-G verwijst naar artikel 2:250 BW (commissarissen van een bv zijn natuurlijke personen) om te verklaren dat de overeenkomst een commissariaat voor een persoon en niet voor diens holding bedingt.
Kernoverweging
“Het onderdeel slaagt. Het oordeel van het hof is in het licht van de overwegingen van de rechtbank en de tweede incidentele grief van [eiseres] onbegrijpelijk. Ik merk op dat de stelling die [eiseres] in eerste aanleg aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, namelijk dat Euretco in strijd met haar verplichting heeft geweigerd om [eiseres] te benoemen tot commissaris van MKB B.V., in strijd is met de wet. [eiseres] is een BV. In artikel 2:250 lid 1 BW is bepaald dat de raad van commissarissen van een BV bestaat uit een of meer natuurlijke personen. Tegen deze achtergrond is het begrijpelijk dat in artikel 5.4 van de koopovereenkomst is bepaald dat [betrokkene 1] in persoon (en niet zijn vennootschap [eiseres] ) als commissaris van MKB B.V. zou worden voorgedragen. De rechtbank heeft het doel van artikel 5.4 van de koopovereenkomst in rov. 2.28 uitgelegd als het ten behoeve van een derde, namelijk [betrokkene 1] , bedingen van een commissariaat. In rov. 2.29 heeft de rechtbank vervolgens geoordeeld dat [eiseres] haar stelling dat zij schade lijdt als gevolg van het niet benoemen van [betrokkene 1] als commissaris niet voldoende heeft onderbouwd. Het hof heeft deze overwegingen van de rechtbank in rov. 3.11 samengevat weergegeven. Tegen deze achtergrond dient de tweede incidentele grief van [eiseres] begrepen te worden. [eiseres] heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank tot uitgangspunt genomen dat niet haar, maar [betrokkene 1] , ter zake van de […]”
r.o. 3.27