← Week 26

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 29 juni 2018

Bestuurdersaansprakelijkheid: had bestuurder betalingsonmacht moeten voorzien? Rechterswisseling en deskundigenbericht

  • Aansprakelijkheid afgewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een leverancier vorderde van de voormalig (middellijk) bestuurder van een vennootschap betaling uit onrechtmatige daad, omdat hij bij het sluiten van de overeenkomst had moeten begrijpen dat de vennootschap niet zou kunnen betalen. Het hof wees de vordering af op basis van een deskundigenbericht, dat de verwachtingen van een succesvolle onderneming niet onrealistisch noemde. De A-G concludeert dat de cassatieklachten over een niet gemelde rechterswisseling en over de motivering falen, en adviseert het cassatieberoep te verwerpen.

Kernoverwegingen

“Onderdeel 2 klaagt dat het hof in de rov. 2.2, 2.4-2.5, 2.8 en 2.9 onjuist dan wel onvoldoende begrijpelijk heeft overwogen en beslist. In genoemde rov. heeft het hof als volgt geoordeeld:

“2.2 De deskundige is in zijn rapport tot een aantal concrete bevindingen gekomen. De algehele situatie rond de oprichting en het bestaan van New Tulip is niet transparant. Er speelden vele conflicten tussen partijen. De administratie is niet transparant en ontbreekt gedeeltelijk. De financiële situatie van New Tulip in en na november 2006 was zodanig dat de verplichting aan Feniks niet voldaan kon worden. Verhaalsmogelijkheden waren er in economisch opzicht niet. De liquiditeitsplanning in aanvang was technisch en inhoudelijk van onvoldoende kwaliteit. De inkomsten zijn te hoog en/of de kosten (substantieel) te laag begroot. Anderzijds komt de deskundige “echter niet tot de conclusie dat de uitgangspositie van aanvang af aan kansloos was”. Zijn slotconclusie in de samenvatting is: “De verwachtingen dat New Tulip een succesvolle onderneming zou worden zijn echter niet onrealistisch”. (…)”

r.o. 2.17

“Het subonderdeel stuit in zijn geheel af op hetgeen het hof in rov. 2.4 heeft overwogen. Weliswaar wordt deze rechtsoverweging genoemd in de aanhef van onderdeel 2 als deel uitmakend van de als onjuist of onbegrijpelijk bestempelde oordelen van het hof, maar er wordt in cassatie geen klacht tegen gericht. Het hof heeft derhalve in cassatie niet bestreden overwogen dat de te beantwoorden vraag is of geoordeeld moet worden dat, zoals Feniks aan zijn vorderingen ten grondslag legt, [verweerder] bij het sluiten van de overeenkomst op 23 juli 2005 als bestuurder van New Tulip had moeten begrijpen dat New Tulip niet aan haar verplichtingen jegens Feniks zou kunnen voldoen (en dan geen verhaal zou bieden voor de door Feniks geleden schade). De aansluiting van het hof bij de conclusie van de deskundige dat de verwachtingen dat New Tulip een succesvolle onderneming zou worden niet onrealistisch waren (slot rov. 2.8) is mitsdien, anders dan in par. 1 wordt gesteld, noch onjuist noch onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Voor zover de klacht van het subonderdeel in par. 2 al aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv voldoet nu niet met voldoende bepaaldheid en precisie wordt uiteengezet waarom het hof een onjuist, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd oordeel heeft gegeven, stuit deze eveneens af op het oordeel van het hof in rov. 2.4 dat het in deze zaak gaat om de beoordeling of [verweerder] onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs als weldenkend bestuurder had moeten inzien dat […]”

r.o. 2.24

“Uit hetgeen het hof – in cassatie niet bestreden – in rov. 2.3 heeft overwogen, blijkt dat het hof zich er rekenschap van heeft gegeven dat Feniks in zijn memorie na deskundigenbericht de kritische bevindingen van de deskundige over de liquiditeitsplanning, de financiële situatie van New Tulip in en na november 2006, de administratie en het ontbreken van verhaalsmogelijkheden heeft benadrukt. Uit rov. 2.4 blijkt dat het hof bij de beoordeling van de te beantwoorden vraag in aanmerking heeft genomen dat het wel kan zijn dat de planning bij aanvang niet van voldoende kwaliteit was en dat de financiële situatie bij aanvang nog niet voldoende was voor betaling van de vordering van Feniks, maar dat als de verwachtingen dat New Tulip een succesvolle onderneming zou worden, niet onrealistisch waren, de conclusie dan niet is gerechtvaardigd dat [verweerder] toen had moeten begrijpen dat Feniks niet zou worden voldaan. Daarop stuiten de klachten van het subonderdeel in de par. 3 en 4 af.”

r.o. 2.25

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2018:751
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
29 juni 2018
Datum publicatie
19 juli 2018
Spoor
Art. 6:162 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
afgewezen
Weekoverzicht
Week 26 van 2018

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.