Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 19 januari 2018
Enquête: kostenverhaal ex artikel 2:354 BW op feitelijk bestuurder, hoofdelijk
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Enquêterecht
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Na vastgesteld wanbeleid in een enquêteprocedure is de statutair bestuurder en een feitelijk bestuurder hoofdelijk veroordeeld in een deel van de onderzoekskosten op grond van artikel 2:354 BW. De A-G acht het verdedigbaar dat een feitelijk bestuurder onder omstandigheden met een bestuurder wordt gelijkgesteld, mits individueel en concreet blijkt van verantwoordelijkheid en persoonlijk verwijt. Hoofdelijke veroordeling is mogelijk bij gelijke verwijtbaarheid. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Een argument voor uitbreiding betreft de ratio van art. 2:354 BW. In zijn beschikking van 16 augustus 1996 (VHS) heeft de Hoge Raad in vrij algemene bewoordingen geoordeeld dat de bepaling van art. 2:354 BW het oog heeft op de individuele draagplicht van een (rechts)persoon die in de sfeer van de rechtspersoon is opgetreden en die voor het slecht functioneren van de rechtspersoon verantwoordelijk wordt gehouden. Veroordeling van een feitelijk bestuurder van wie in het onderzoeksverslag wordt vastgesteld dat hij in de sfeer van de rechtspersoon is opgetreden en die voor het slecht functioneren van de rechtspersoon verantwoordelijk wordt gehouden, stemt overeen met deze ratio van art. 2:354 BW.”
r.o. 2.22
“Uit de (summiere) parlementaire toelichting blijkt dat de wetgever de ondernemingskamer een discretionaire bevoegdheid heeft gegeven om een beoordeling naar billijkheid te geven. Daarin past het om de ondernemingskamer de ruimte te geven onder omstandigheden de feitelijk bestuurder als bestuurder in de zin van art. 2:354 BW aan te merken.”
r.o. 2.23
“Gelet op het voorgaande meen ik dat er gerede argumenten zijn om een feitelijk bestuurder onder omstandigheden voor de toepassing van art. 2:354 BW gelijk te stellen met een bestuurder.”
r.o. 2.25