Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 11 oktober 2019
Bestuurder contracteert namens ontbonden CV: schijn van volmacht en toerekening van kennis
- Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een buitenlandse koper sprak de bestuurder van de verkoper aan wegens onrechtmatige daad, omdat hij een overeenkomst sloot namens een reeds ontbonden commanditaire vennootschap terwijl de besloten vennootschap feitelijk verkoper was. Het hof oordeelde dat de wetenschap van de opdrachtgever van de koper aan de koper werd toegerekend wegens schijn van volmachtverlening. De A-G concludeert tot gedeeltelijke vernietiging: het hof heeft de grenzen van de rechtsstrijd miskend (artikel 24 Rv) en de schijn van volmachtverlening onvoldoende gemotiveerd.
Kernoverwegingen
“Ik wil niet verhullen dat ik de uitkomst bij het hof niet heel bevredigend vind. Deze zaak vertoont m.i. ‘Beklamel-achtige’ elementen. Uit het dossier komt namelijk naar voren dat de bestuurder van de rechtspersoon die ‘eigenlijk’ partij was, [A] B.V., bij het aangaan van een contractuele verplichting (hier: tot levering) wist of behoorde te weten dat die rechtspersoon de aangegane verplichtingen niet zou kunnen nakomen en ook geen verhaal zou bieden, gelet op haar zwakke financiële positie. Daar komt bij – en daar draait het geschil voornamelijk om – dat de Overeenkomst is aangegaan op naam van een andere rechtspersoon, [A] C.V., die niet (meer) bestond op het moment van contracteren en dat de bestuurder ( [verweerder] ) tegenover Trest de schijn dat [A] C.V. de Overeenkomst uitvoerde door uitingen en gedragingen in stand hield. Toch komt [verweerder] hier bij het hof grotendeels mee weg, omdat er volgens het hof juist aan Russische zijde sprake was van schijn, namelijk door Trest opgewekte schijn dat Vankorneft haar heeft vertegenwoordigd en [verweerder] op die schijn heeft mogen vertrouwen. Daaruit leidt het hof in één adem af dat kennis aanwezig bij Vankorneft over het onderscheid tussen [A] C.V. en [A] B.V. kan worden toegerekend aan Trest. Vankorneft had die kennis, omdat zij een oplossing wilde vinden voor een door [verweerder] veroorzaakt probleem: hij had [A] C.V., die stond vermeld in de Russische invoervergunningen, kort voor het definitief binnenhalen van deze […]”
r.o. 4.4
“Het onderdeel slaagt. Het hof heeft de toerekening van kennis aan Trest gegrond op de geconstrueerde schijn van volmachtverlening aan Vankorneft. Schijn van volmachtverlening is evenwel geen voorwerp van debat geweest tussen partijen. Het door [verweerder] gevoerde verweer hield niet in dat Vankorneft voor Trest optrad. Hij heeft zich in het geheel niet op de schijn van vertegenwoordiging als bedoeld in art. 3:61 lid 2 BW beroepen. [verweerder] heeft betoogd dat Trest op instigatie van Vankorneft haar contract met [A] B.V. (gedeeltelijk) heeft overgenomen en daarbij gewezen op de economische verhoudingen (‘het machtige Rosneft’) en de ‘korte lijnen’ tussen Vankorneft en Trest, zonder daarvan overigens bewijs bij te brengen. Volgens [verweerder] was Trest de handelende partij die deed wat Vankorneft haar vroeg te doen – in feite het omgekeerde van waar het hof is uitgegaan. De feitelijke grondslag waarop het hof de schijn van volmachtverlening baseert (“[d]oor de onderhandelingen over en het opstellen van de overeenkomst (grotendeels) over te laten aan Vankor”) wijkt daarmee af van wat [verweerder] als feitelijke grondslag heeft aangevoerd voor zijn stelling dat Trest wetenschap had van, kort gezegd, de ‘rechtspersonenkwestie’. Het hof heeft aldus de grenzen van de rechtsstrijd miskend.”
r.o. 4.9
“Ik ben het eens met Trest dat deze (vaststaande) omstandigheden niet wijzen op volmachtverlening door Trest aan Vankorneft en het hof daarom nader diende te motiveren waarom daar niettemin sprake van was. Ik licht dat toe: Ad (a): hoewel titel 3 van Boek 3 een verruimd begrip ‘rechtshandeling’ hanteert, voert Trest terecht aan dat Vankorneft niet namens Trest een rechtshandeling heeft verricht. Uit rov. 11 blijkt ook niet wat de betrokken rechtshandeling hier zou zijn. Vaststaat in elk geval dat Trest, vertegenwoordigd door haar bestuurder, de Overeenkomst is aangegaan en Vankorneft daar verder buiten stond. Ad (b): de overweging dat Trest de onderhandelingen over en het opstellen van de overeenkomst (grotendeels) heeft overgelaten aan Vankorneft is in het licht van de feitenconstellatie alleen al gezien de volgtijdelijkheid onbegrijpelijk. Immers, eerst was er het contract met Vankorneft, later wilde Vankorneft om haar moverende redenen een deel van dat contract (11 van de 30 bestelde afsluiters) elders onderbrengen, waartoe zij vervolgens Trest naar voren heeft geschoven. Het is dus niet zo dat Trest een koopovereenkomst met ‘ [A] ’ wilde afsluiten en het vervolgens aan Vankorneft overliet dat voor haar te regelen. Ad (c): hoewel [verweerder] aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich heeft moeten laten welgevallen dat Trest voor de 11 afsluiters zijn nieuwe contractspartij zou worden, heeft hij wel degelijk (met succes) met Trest onderhandeld en overeenstemming bereikt over […]”
r.o. 4.16