Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 8 februari 2019
Prospectusaansprakelijkheid: persoonlijk ernstig verwijt middellijk bestuurder vastgoedfonds en stichtingsvoorzitter
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Obligatiehouders in een vastgoedfonds met Spaans vastgoed stelden de middellijk bestuurder van het fonds en de voorzitter van de stichting obligatiehouders aansprakelijk, als bestuurder en in privé, wegens een misleidend prospectus. Het hof oordeelde het prospectus op één punt misleidend, maar zag geen persoonlijk ernstig verwijt en wees de vorderingen af. De A-G concludeert dat de motiveringsklachten tegen die oordelen falen en dat het cassatieberoep moet worden verworpen.
Kernoverwegingen
“Het hof heeft in rov. 5.2.2-5.2.3 eerst het juridisch kader weergegeven voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van de Bestuurder als middellijk bestuurder van Bouw State V en van de Voorzitter als bestuurder van de Stichting Obligatiehouders Bouw State V. Daarvoor geldt, onder meer, het vereiste dat de bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt van zijn handelen of nalaten kan worden gemaakt. Het hof noemt in rov. 5.2.2 ook het juridisch kader voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van de Bestuurder en de Voorzitter ‘pro se’, dat wil zeggen voor zover zij niet in hun hoedanigheid van bestuurder hebben gehandeld. Daarvoor geldt niet het vereiste van een persoonlijk ernstig verwijt. Wel moet komen vast te staan dat het aan de aangesproken persoon verweten onrechtmatig handelen of nalaten jegens de obligatiehouders, geen betrekking had op het handelen of nalaten van de betrokkene bij zijn taakvervulling als bestuurder van een vennootschap (rov. 5.2.2). Vervolgens heeft het hof het prospectus getoetst aan het destijds toepasselijke art. 6:194 (oud) BW en beoordeeld of daarin voor de ‘maatman-belegger’ misleidende, met name onjuiste en onvolledige, mededelingen voorkomen die diens economische gedrag kunnen beïnvloeden (rov. 5.2.5). Dit wordt in cassatie terecht niet bestreden.”
r.o. 4.3.1
“In rov. 5.2.7 en 5.2.9 heeft het hof geoordeeld dat het prospectus in één opzicht misleidend was. Het hof beoordeelt vervolgens of de Bestuurder daarvan als (middellijk) bestuurder van Bouw State V persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt (rov. 5.2.12), in welk geval de Bestuurder aansprakelijk is voor de misleidende mededeling. Het hof oordeelt in rov. 5.2.13 dat daarvan geen sprake is:
“(…) Door [Verweerders] is het standpunt ingenomen dat er voor de bestuurder geen enkele aanleiding bestond te verwachten dat de oplevertermijn "in relevante mate" overschreden zou worden. Door [de Bestuurder] is daarover ter zitting van het hof onbetwist verklaard dat Valor Real, van wie de appartementen waren gekocht, een grote speler is op deze markt, die internationaal opereert en met wie [de Bestuurder] in het verleden in diverse projecten zonder problemen had samengewerkt. Door deze partij is bij brief van 8 februari 2008 (…) meegedeeld (zakelijk weergegeven) dat tijdens een bespreking met de aannemer op 28 januari 2008 bleek dat de bouw iets achter liep op het schema, maar dat door het management van de aannemer is beloofd dat de penthouses in april 2008 gereed zijn waarna bij de gemeente de noodzakelijke documenten worden aangevraagd (een bewoonbaarheidsverklaring), hetgeen naar verwachting 30 dagen in beslag zal nemen, en aldus de levering naar verwachting op 20 juni 2008 zal plaatsvinden. Op 1 juni 2008 is het prospectus uitgegeven met daarin vermeld dat op 12 juni 2008 […]”
r.o. 4.27
“De klacht wijst er op zichzelf terecht op dat niet ter discussie staat dat de Bestuurder de inhoud van het prospectus bepaalde. Onbegrijpelijk is het bestreden oordeel echter niet te noemen, ook niet in het licht van de in de klacht genoemde stellingen. Het hof is uitgegaan van de misleidende mededeling dat het onroerend goed al afgebouwd was (rov. 5.2.7) (stelling b). Dat het onroerend goed niet verhuurd was (stelling b), heeft het hof verworpen (rov. 5.2.8; zie bij subonderdeel 2.2.2). Het hof heeft verdisconteerd dat de Bestuurder ten tijde van het uitbrengen van het prospectus wist dat het Spaanse vastgoed niet afgebouwd was en de oplevering daarom vertraagd was (stellingen b en a) (zie rov. 5.2.13). Het hof heeft geoordeeld dat de Bestuurder in het prospectus had moeten wijzen op de risico’s in verband met het nog niet opgeleverd zijn van de appartementen (stelling d) (zie rov. 5.2.13). Op de stelling dat deze risico’s zich hebben verwezenlijkt (stelling c), heeft het hof in rov. 5.2.13 gemotiveerd gereageerd. Voor zover de stelling dat de aannemer de oplevering nog straffeloos 18 maanden mocht uitstellen (stelling a), verwijst naar de feitelijke gang van zaken, betreft het hetzelfde punt als stelling c. Voor zover stellig a verwijst naar een contractueel recht van de aannemer om de oplevering verder uit te stellen, behoefde het hof daarop niet afzonderlijk in te gaan om de hierna in 4.32.3 genoemde redenen. De stelling dat de Bestuurder niet op het risico van late […]”
r.o. 4.29.2