Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 15 november 2019
Verbod Bandidos: corporatiebegrip, informele vereniging en reikwijdte verbod ten aanzien van chapters
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Het Openbaar Ministerie vraagt een Nederlandse informele motorclubvereniging te verbieden en te ontbinden (artikel 2:20 BW) en de werkzaamheid van de wereldwijde club in strijd met de openbare orde te verklaren (artikel 10:122 BW). De A-G meent dat het hof het corporatiebegrip te beperkt heeft uitgelegd. Volgens hem hebben de lokale afdelingen geen eigen rechtspersoonlijkheid als het verenigingsbestuur over toelating en beëindiging van leden beslist, zodat het verbod ook hen treft. Hij concludeert tot vernietiging en verwijzing.
Kernoverwegingen
“Heeft het hof hiermee te strenge eisen aan de interne organisatie van een buitenlandse corporatie gesteld, zoals het subonderdeel betoogt? Er moet bij het lichaam of samenwerkingsverband dat als zodanig naar buiten optreedt uiteraard – evenals bij een informele vereniging in de zin van Boek 2 BW – een zekere interne organisatie te ontdekken zijn. Het gaat naar mijn mening echter te ver om te verlangen dat de organisatie hiërarchisch vorm moet zijn gegeven in de zin dat het internationale ‘hoofdkwartier’ zeggenschap heeft over de motorclubs wereldwijd of dat sprake is van besluiten op het wereldwijde niveau waaraan alle aangesloten motorclubs zijn onderworpen. Er kan immers ook sprake zijn van een wereldwijde organisatie waarbij op continentaal (Europees) niveau veel autonomie bestaat. Het kunnen aanwijzen van een internationaal (wereldwijd) hoofdkwartier is ook niet vereist voor het bestaan van een wereldwijde corporatie. Zoals ik heb uiteengezet, vallen organisaties ‘sans loi’ onder het corporatiebegrip. Zij hebben in veel gevallen geen duidelijk aanwijsbare plaats van vestiging. Of BMC Internationaal een organisatie ‘sans loi’ is dan wel is opgericht in overeenstemming met het recht van een deelstaat van de Verenigde Staten, kan hier in het midden blijven. BMC Internationaal kan naar mijn mening wél als corporatie in de zin van art. 10:122 BW worden aangemerkt, omdat het geheel van omstandigheden dat de rechtbank heeft vermeld erop duidt dat BMC Internationaal als zodanig […]”
r.o. 3.12
“Uit het voorgaande volgt, dat met het oog op de toepassing en het doel van art. 2:20 BW niet te strenge eisen moeten worden gesteld aan het bestaan van een informele vereniging. Het doel van art. 2:20 BW is met een ruime uitleg van het begrip ‘informele vereniging’ gediend. De essentie van de bepaling is immers dat een halt wordt toegeroepen aan rechtspersonen waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde. De bepaling wordt in die zin beschouwd als onderdeel van de weerbare democratie.”
r.o. 3.35
“Daarmee komt de vraag aan de orde of chapters zijn te beschouwen als zelfstandige (informele) verenigingen of als afdelingen van de hoofdvereniging. Een afdeling is een organisatorische eenheid binnen een vereniging, waarin leden van die vereniging, de hoofdvereniging, kunnen zijn ingedeeld. Het kan gaan om plaatselijke of regionale afdelingen, maar ook een indeling op basis van niet-geografische criteria is denkbaar, zoals functionele afdelingen, of om een combinatie van dergelijke criteria. In de literatuur wordt aangenomen dat een impliciete of expliciete statutaire grondslag voor het instellen van afdelingen is vereist. In beginsel hebben afdelingen géén rechtspersoonlijkheid. Het woord ‘afdeling’ wijst al in de richting van het zijn van een onderdeel van een hoofdvereniging. Overigens kunnen verschillende benamingen worden gebruikt om afdelingen aan te duiden, zoals club, groep, sectie of chapter. De mogelijkheid dat een afdeling rechtspersoonlijkheid heeft, is niet uitgesloten, maar terughoudendheid bij het aannemen daarvan is gepast, omdat de afdeling in organisatorisch opzicht onderdeel uitmaakt van de hoofdvereniging. Evenmin is het uitgesloten dat een afdeling een informele vereniging kan zijn, waardoor deze nauwelijks van een gewone afdeling (zonder rechtspersoonlijkheid) is te onderscheiden. Voor de vraag of een afdeling kwalificeert als informele vereniging dient in beginsel eveneens aan de drie hierboven onder 3.30 genoemde cumulatieve vereisten voor het […]”
r.o. 3.38