← Week 47

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 22 november 2019

Eis in reconventie tegen vennoten van vof die op eigen naam procedeert

  • Personenvennootschappen
  • Personenvennootschappen

Samenvatting

Een vof procedeert op eigen naam tegen kopers van een machine; de kopers stellen een eis in reconventie in, terwijl hun contractpartij een andere vof blijkt te zijn. De A-G concludeert dat alleen de vof zelf procespartij is, niet haar vennoten, zodat een reconventionele vordering tegen de vennoten niet mogelijk is. Wel kan de rechter oproeping van de vennoten op grond van artikel 118 Rv faciliteren. Het hof had niet voldoende gewogen of de vof haar nieuwe verweer in hoger beroep niet meer mocht voeren; de conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.

Kernoverwegingen

“In een prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 19 april 2019 stond de vraag centraal of het UWV, dat in het kader van de loongarantieregeling loon- en premieverplichtingen van een failliete vof had overgenomen, preferente vorderingen respectievelijk boedelvorderingen geldend kon maken in de schuldsaneringen van de vennoten van de vof. In deze prejudiciële beslissing heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:

“3.4.1 Een vof is een bij overeenkomst aangegane rechtsverhouding strekkende tot de uitoefening van een bedrijf onder gemeenschappelijke naam in een duurzaam samenwerkingsverband (vgl. art. 16 WvK in verbinding met art. 7A:1655 BW). Aan de vof komt naar geldend recht geen rechtspersoonlijkheid toe. Wet en rechtspraak kennen niettemin tot op zekere hoogte in het rechtsverkeer aan de vof een zelfstandige positie toe ten opzichte van de afzonderlijke vennoten. Zo kan een vof op eigen naam in rechte optreden (art. 51 lid 2 Rv) en kan zij op eigen naam failliet verklaard worden (art. 4 lid 3 Fw). Verder is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad het voor het bedrijf van de vof bestemde vermogen van de vennoten afgescheiden van hun privévermogens. Op dit afgescheiden vermogen kunnen schulden, aangegaan in het kader van het door de vof uitgeoefende bedrijf, worden verhaald. Het faillissement van de vof ziet op de vereffening en verdeling van het afgescheiden vermogen en brengt niet steeds en zonder meer het faillissement mee van de vennoten. Zie voor het […]”

r.o. 3.14

“Uit deze laatste overweging, en met name het gegeven dat een op naam van de vof gewezen vonnis waarbij een vordering uitsluitend tegen de vof is toegewezen (i) geen gezag van gewijsde kan krijgen jegens een vennoot persoonlijk, en (ii) niet ten laste van diens privévermogen tenuitvoergelegd kan worden, volgt dat wanneer de vof op eigen naam optreedt, alleen de vof procespartij is en niet óók de vennoten in privé.”

r.o. 3.15

“Probleem is echter dat de vorderingen in conventie zijn ingesteld door [verweerster] v.o.f. De vennoten van deze vof, [betrokkene 3] en [A] v.o.f. (waarvan op haar beurt [betrokkene 1] en [betrokkene 2] vennoten zijn), zijn niet mede opgetreden als eisende partij. Daarmee was het onmogelijk voor [eisers] om een reconventionele vordering in te stellen tegen [A] v.o.f. en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] . Een reconventionele vordering kan immers niet worden ingesteld tegen een partij die niet in de procedure is betrokken. Ook uit het arrest over de ondeelbare rechtsverhouding (zie onder 3.11) kan dat niet worden afgeleid; daar is slechts mogelijk gemaakt dat, in afwijking van de hoofdregel, tegen een mede-gedaagde een vordering in reconventie kan worden ingesteld.”

r.o. 3.22

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2019:1331
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
22 november 2019
Datum publicatie
13 december 2019
Spoor
Personenvennootschappen
Wetsartikelen
6:2 BW
Thema
Personenvennootschappen
Weekoverzicht
Week 47 van 2019

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.