Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 20 december 2019
Faillissement ontbonden BV met baten; verjaring en artikel 2:23c lid 2 BW
- Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Curatoren van negen concernvennootschappen vragen het faillissement van een zustervennootschap die door de Kamer van Koophandel is ontbonden maar nog baten heeft. De A-G oordeelt dat een ontbonden rechtspersoon met baten niet is opgehouden te bestaan, zodat de verlenging van de verjaring op grond van artikel 2:23c lid 2 BW niet geldt. Het cassatieberoep tegen het oordeel dat het verjaringsberoep onaanvaardbaar is, acht hij ongegrond.
Kernoverwegingen
“Uitgangspunt bij de beoordeling hiervan is dat gedurende het tijdvak waarin een rechtspersoon is opgehouden te bestaan, een verlengingsgrond als bedoeld in art. 3:320 BW geldt voor de verjaring van rechtsvorderingen van of tegen deze rechtspersoon (art. 2:23c lid 2 BW). In art. 2:19a BW, dat betrekking heeft op de ontbinding van een rechtspersoon door de Kamer van Koophandel, is dezelfde verlengingsgrond opgenomen (art. 2:19a lid 8 BW). Art. 3:320 BW voorziet in een verlenging van de verjaringstermijn tot 6 maanden na het verdwijnen van de verlengingsgrond. De verlenging van de termijn vindt van rechtswege plaats.”
r.o. 2.8
“Voor de toepasselijkheid van deze verlengingsgrond komt het er dus aan of de rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan. Een ontbinding is daarvoor op zichzelf niet voldoende. Een rechtspersoon blijft na ontbinding namelijk voortbestaan voor zover dit voor de vereffening van zijn vermogen nodig is (art. 2:19 lid 5 BW). De ontbinding heeft alleen (direct) tot gevolg dat de rechtspersoon ophoudt te bestaan als de rechtspersoon op het tijdstip van de ontbinding geen baten heeft (art. 2:19 lid 4 BW). In andere gevallen moet vereffening plaatsvinden en houdt de rechtspersoon pas op te bestaan wanneer de vereffening eindigt (art. 2:19 lid 6 BW). De vereffening eindigt als er geen aan de vereffenaar bekende baten meer zijn (art. 2:23b lid 9 BW).”
r.o. 2.9
“Daarmee is denk ik het verschil met onze zaak gegeven. Dat [verzoekster] nog baten heeft, is naar het onbestreden oordeel van het hof immers voldoende aannemelijk (rov. 3.4). Zij is zodoende, zo volgt uit art. 2:19 BW, niet opgehouden te bestaan. Dit betekent dat de verlengingsgrond van art. 2:19a lid 8 en 2:23c lid 2 BW in onze zaak niet toepasselijk is.”
r.o. 2.11