Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 1 februari 2019
Finale kwijting in beëindigingsovereenkomst en bestuurdersaansprakelijkheid stichting; dwaling
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een woningcorporatie in de vorm van een stichting sluit met haar directeur-bestuurder een beëindigingsovereenkomst met finale kwijting, terwijl een onderzoek naar onregelmatigheden loopt. Daarna spreekt zij de oud-bestuurder aan op grond van artikel 2:9 BW. De A-G concludeert dat het hof de kwijting terecht heeft uitgelegd als ook de afwikkeling van het bestuurderschap omvattend en het beroep op dwaling terecht heeft verworpen. Hij concludeert daarom tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Ik beoordeel deze klachten als volgt. Het hof heeft in rov. 9.6 de Haviltex-maatstaf voorop gesteld. Daarna heeft het hof in rov. 9.7 de stellingen van WSG uiteengezet. Vervolgens heeft het hof in rov. 9.8 tot en met rov. 9.13 gemotiveerd uitgelegd hoe hij met toepassing van die Haviltex-maatstaf in dit geval komt tot een ander oordeel dan de uitkomst die WSG heeft bepleit. In rov. 9.8 heeft het hof overwogen dat partijen binnen de beëindigingsovereenkomst een onderscheid hebben gemaakt tussen het bestuurderschap van [verweerder] en de arbeidsovereenkomst. Het hof heeft daarbij verwezen naar artikel 1 van de beëindigingsovereenkomst waarin verschillende einddata zijn opgenomen voor het bestuurderschap en de arbeidsovereenkomst. Daarna heeft het hof in rov. 9.10 tot en met 9.12 overwogen welke documenten en stellingen hij heeft betrokken bij zijn oordeel. In rov. 9.13 heeft hij die in onderling verband en samenhang beoordeeld. De conclusie daarvan is dat de afwikkeling van het bestuurderschap onderdeel was van de beëindigingsovereenkomst.”
r.o. 3.14
“Wat het hof hier in aanmerking heeft genomen is dat de vraag of [verweerder] nog op grond van bestuurdersaansprakelijkheid kon worden aangesproken aan de orde is geweest bij de totstandkoming van de beëindigingsovereenkomst (en dus bij beide partijen bekend was), en dat zij besloten hebben, vanwege het doel om volledig afscheid van elkaar te nemen, daarvan af te zien, althans die vordering te beperken tot het bepaalde in artikel 2 sub b van de beëindigingsovereenkomst (zie vooral rov. 9.11 van het bestreden arrest). Het hof heeft dus gezichtspunten uit de jurisprudentie betrokken (zie onder 3.6, 3.7 en 3.9). Anders dan in de ABN AMRO/ […]-zaak is het onderwerp van geschil in de onderhavige zaak volgens het hof wél ter sprake geweest. De onderhavige zaak verschilt in die zin van de Servatius-zaak, dat de rechtbank in de laatstgenoemde zaak ervan is uitgegaan dat de bestuurdersaansprakelijkheid niet aan de orde is gekomen bij de totstandkoming van de beëindigingsovereenkomst, omdat de bestuurder dat niet had gesteld en ook niet was gebleken dat de RvT stil had gestaan bij de beëindiging van het bestuurderschap.”
r.o. 3.15
“Subonderdeel 1.2 betoogt dat nu de jaarlijkse decharge nog niet was verleend ten tijde van het sluiten van de beëindigingsovereenkomst, [verweerder] toen niet heeft mogen begrijpen dat de finale kwijtingsbepaling ook zag op de bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW. Het subonderdeel gaat niet op. Een finale kwijting kan worden verleend zonder dat er een aan de vaststelling van de jaarrekening gekoppelde decharge is verleend. Dat is niet ongebruikelijk bij een tussentijdse beëindiging van een bestuurderschap. Ik kan niet inzien dat [verweerder] uit de omstandigheid dat er nog geen aan de jaarrekening gekoppelde decharge was verleend moest afleiden dat hij op grond van bestuurdersaansprakelijkheid nog ex artikel 2:9 BW kon worden aangesproken.”
r.o. 3.23