Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 1 maart 2019
Prejudiciële vragen: werkgeverschap bij vof en preferenties in schuldsanering vennoten
- Personenvennootschappen
- Boek 2 BW
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Een uitkeringsinstantie wil loon- en premievorderingen van werknemers van een failliete vof met voorrang en als boedelschuld verifiëren in de schuldsanering van de vennoten. De A-G meent dat bij een arbeidsovereenkomst met een vof alleen de gezamenlijke vennoten werkgever zijn. De hoofdelijke verbondenheid van de vennoten maakt hen persoonlijk geen werkgever, zodat preferentie en boedelstatus niet doorwerken in hun schuldsanering.
Kernoverwegingen
“Tot uitgangspunt dient, kortom, dat indien, zoals in het onderhavige geval, een vennoot (bevoegdelijk) namens de vof een overeenkomst sluit, daarmee (uitsluitend) de gezamenlijke vennoten als zodanig partij worden bij de overeenkomst. De vof als zodanig kan immers geen contractspartij zijn. Voor een namens de vof als werkgever gesloten arbeidsovereenkomst betekent dit dat (uitsluitend) de gezamenlijke vennoten als zodanig als werkgever kwalificeren.”
r.o. 2.42
“Hiervoor is vastgesteld dat de vennoten gezamenlijk partij c.q. werkgever zijn. Het gezamenlijk partij-zijn van de vennoten bij een overeenkomst ‘met de vof’ is een geval bij uitstek als bedoeld in artikel 6:6 lid 1 BW, zodat dit leidt tot verbondenheid voor gelijke delen, tenzij uit de wet, gewoonte of rechtshandeling anders voortvloeit. Anders dan ten aanzien van de leden van een maatschap het geval is (zie art. 7A:1680 BW: verbondenheid voor gelijke delen), vloeit voor de vennoten van de vof uit de wet voort dat zij hoofdelijk verbonden zijn (art. 18 WvK).”
r.o. 2.47
“Deze verschuiving van de focus naar het aannemen van een zelfstandige vordering van de vennootschapscrediteur op de gezamenlijke vennoten (naast een vordering op de afzonderlijke vennoten persoonlijk) impliceert mijns inziens dat de gebondenheid van de vennoten van tweeërlei aard is geworden. Enerzijds zijn zij gebonden in hun hoedanigheid van (gezamenlijk) contractant en anderzijds als voor het geheel aansprakelijke medeschuldenaar.”
r.o. 2.55