Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 5 april 2019
Persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder voor verkoop aandelen zonder instemming aandeelhouder; schadeplafond
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Aandelenwaardering
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
In deze conclusie gaat het om de verkoop van de aandelen in een dochtervennootschap zonder de in de aandeelhoudersovereenkomst vereiste instemming van een van de aandeelhouders. De A-G bespreekt of de bestuurder van de wederpartij hiervoor persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt (externe bestuurdersaansprakelijkheid) en hoe de schade moet worden begroot, met een hypothetisch schadeplafond. Zij concludeert in het principale en het incidentele cassatieberoep tot verwerping.
Kernoverwegingen
“Bij de behandeling van het onderdeel ga ik uit van het volgende. Het gaat in de bestreden overwegingen om de aansprakelijkheid van [verweerder 2] als bestuurder van [verweerster 1] jegens Igvo voor de door [verweerster 1] gepleegde toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de aandeelhoudersovereenkomst. Dit betreft de externe aansprakelijkheid. Assink omschrijft deze aansprakelijkheid als aansprakelijkheid van de bestuurder (in die hoedanigheid) jegens een derde, die buiten de verhouding bestuurder/ vennootschap staat. De grondslag voor aansprakelijkheid is dan doorgaans onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Vervolgens schaart hij de aansprakelijkheid van een bestuurder jegens een aandeelhouder, die als zodanig deel uitmaakt van de organisatie van de vennootschap in de zin van art. 2:8 lid 1 BW, onder de externe variant. De aandeelhouder is z.i. een derde, meer in het bijzonder een ‘interne’ derde, met als gevolg dat een dergelijke aansprakelijkheid ook buiten het directe bereik van art. 2:9 BW valt.”
r.o. 3.3
“Vaste rechtspraak is dat voor een tekortschieten in de nakoming van een verbintenis door een vennootschap als regel slechts de vennootschap aansprakelijk is. Bij uitzondering kan, náást de vennootschap, ook de bestuurder aansprakelijk worden gehouden. Deze aansprakelijkheid wordt ook wel aangeduid als secundaire aansprakelijkheid. De Hoge Raad heeft hieromtrent - herhaaldelijk - overwogen:
“Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is […]”
r.o. 3.4
“De klacht mist feitelijke grondslag. Uit de hiervoor geciteerde rechtsoverwegingen onder 3.9-3.12 blijkt dat het hof eerst heeft geoordeeld dat [verweerster 1] jegens Igvo toerekenbaar tekort is gekomen in de nakoming van de aandeelhoudersovereenkomst, en daarna heeft onderzocht of [verweerder 2] , als bestuurder van [verweerster 1] (en middellijk bestuurder van Frelan , zie rov. 2.5 van het eindarrest), jegens Igvo aansprakelijk is voor deze wanprestatie van [verweerster 1] . Dit betreft de beoordeling van de (secundaire) aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad (zie de eerste volzin van rov. 2.15).”
r.o. 3.14