← Week 12

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 22 maart 2019

Uitspraak Parket bij de Hoge Raad

  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een appartementseigenaar die niet bij de vergadering was, vraagt vernietiging van besluiten van de vereniging van eigenaars en wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. In de conclusie staat de vraag centraal wanneer de termijn van een maand van artikel 5:130 lid 2 BW begint. De A-G concludeert dat die termijn in beginsel kort na de vergadering ingaat, omdat de afwezige eigenaar zich moet vergewissen van de besluiten. Aansluiting bij de aanvangsmomenten van artikel 2:15 lid 5 BW is volgens de A-G niet aan de orde. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Het oordeel van het hof in rov. 5.7-5.8 komt erop neer dat de ratio van art. 5:130 lid 2 BW meebrengt dat op de eigenaar die niet bij de vergadering aanwezig/vertegenwoordigd was, in beginsel een verplichting rust om zich te vergewissen van de genomen besluiten. Daarbij geldt het vermoeden dat onderzoek op de dag van de vergadering of ten spoedigste daarna tot de voor een vernietigingsverzoek noodzakelijke informatie zou hebben geleid, zodat de termijn op of ten spoedigste na de dag van de vergadering gaat lopen. Dat laatste is slechts anders indien de eigenaar dat vermoeden weerlegt, bijvoorbeeld door aannemelijk te maken dat dit onderzoek niet van hem kon worden gevergd (geen oproep, geen agendering), of dat dit onderzoek hem, indien wel verricht, niet de benodigde informatie zou hebben opgeleverd (weigering informatieverschaffing, complex besluit).”

r.o. 2.48

“Deze gedachtegang is niet rechtens onjuist. Het hof heeft zich gebaseerd op de – in rov. 5.5 door het hof juist weergegeven – ratio van art. 5:130 lid 2 BW. Bovendien past deze uitleg binnen de tekst van art. 5:130 lid 2 BW. Uit de parlementaire geschiedenis bij dit artikel volgt dat onder de woorden “heeft kunnen kennis nemen” moet worden verstaan “heeft redelijkerwijs kunnen kennis nemen” (zie onder 2.9-2.10). Dit criterium verzet zich er niet tegen dat, gelijk het hof heeft gedaan, tot uitgangspunt wordt genomen dat een eigenaar zich op de dag van of daags na de vergadering van het besluit kan vergewissen, en dat van “redelijkerwijs kennis kunnen nemen” slechts geen sprake is indien de verzoeker aannemelijk maakt dat hij die mogelijkheid in de concrete omstandigheden van het geval niet had.”

r.o. 2.49

“Weliswaar is de vereniging van eigenaars op grond van art. 5:124 lid 2 BW ook onderworpen aan art. 2:15 BW, maar alleen voor zover daarvan in art. 5:130 BW niet uitdrukkelijk of inhoudelijk wordt afgeweken (zie onder 2.4). Zoals opgemerkt, wijkt art. 5:130 lid 2 BW van art. 2:15 BW af op het punt van de termijn en het aanvangsmoment van die termijn (zie onder 2.7).”

r.o. 2.53

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2019:370
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
22 maart 2019
Datum publicatie
19 april 2019
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
5:130 BW, 5:124 BW, 2:15 BW
Thema
Besluitvorming en vernietigbaarheid, Vereniging, stichting en coöperatie
Weekoverzicht
Week 12 van 2019

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.