← Week 16

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 19 april 2019

Aansprakelijkheid moederbank: garantie en Peeters/Gatzen-vordering na faillissement dochterbank

  • Aansprakelijkheid afgewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

De curatoren van een gefailleerde Nederlandse bank stellen de buitenlandse centrale bank, die enig aandeelhouder was, aansprakelijk wegens een gestelde garantie en uit onrechtmatige daad via een Peeters/Gatzen-vordering. De A-G concludeert dat de niet-ontvankelijkheid van die vordering standhoudt, omdat zij niet ten behoeve van alle schuldeisers is ingesteld. Een garantie tussen moeder en dochter valt volgens de A-G niet onder het inwendig bestel van de rechtspersoon, zodat het verdragsrecht geldt. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Over deze klacht merk ik het volgende op. In rov. 3.5.1 – onbestreden in cassatie – heeft het hof overwogen dat de curatoren hun vorderingen hebben gebaseerd op het bestaan van een overeenkomst, en dus niet op een vennootschapsrechtelijke grondslag. Voor zover de klacht betoogt dat de onderhavige rechtsverhouding niet moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst, maar als een kwestie van rechtspersonenrecht, waarop art. 3 sub b WCC (oud), thans art. 10:119, aanhef en onder b, BW, van toepassing is, berust de klacht op een onjuiste rechtsopvatting. De beide wetsbepalingen zijn gelijkluidend. Art. 10:119, aanhef en onder b, BW bepaalt dat het op een corporatie toepasselijke recht ‘het inwendig bestel van de corporatie en alle daarmee verband houdende onderwerpen’ beheerst. Het gaat daarbij om kwesties van structuur en inrichting van de corporatie. In de wetsgeschiedenis van art. 3 WCC – de voorganger van art. 10:119 BW – wordt een (niet-limitatieve) opsomming gegeven van onderwerpen die onder de omschrijving ‘inwendig bestel en alle daarmee verband houdende onderwerpen’ vallen en wordt opgemerkt dat het niet alleen gaat om alle in Boek 2 BW geregelde onderwerpen van rechtspersonenrecht, maar ook om enkele daar niet geregelde zaken zoals de toelaatbaarheid van certificering van aandelen met medewerking van de rechtspersoon en de toelaatbaarheid van de stemovereenkomsten tussen aandeelhouders. Het toepasselijke recht op een garantieovereenkomst tussen een moedermaatschappij […]”

r.o. 2.4

“In rov. 3.6.3 heeft het hof vooropgesteld dat een faillissementscurator op grond van art. 68 Faillissementswet (Fw) bevoegd is om op te komen voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers bij benadeling van deze schuldeisers door de gefailleerde, waarbij onder omstandigheden ook plaats kan zijn voor het geldend maken van een vordering tot schadevergoeding tegen een derde die bij de benadeling betrokken was, ook al kwam een dergelijke vordering niet aan de gefailleerde zelf toe. De curator is echter niet bevoegd een vordering in te stellen ter zake van een onrechtmatige daad die slechts is gepleegd ten opzichte van een bepaalde groep schuldeisers, bijvoorbeeld schuldeisers van wie de vordering pas na een bepaald moment is ontstaan.”

r.o. 2.48

“Deze klacht faalt, omdat ook voor een Peeters/Gatzenvordering op deze laatstgenoemde grondslag geldt dat zij moet worden ingesteld ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers, en niet slechts ten behoeve van een deel van hen. De curatoren hadden dus moeten stellen dat alle schuldeisers zijn benadeeld doordat BI heeft besloten haar verlieslatende dochteronderneming niet te liquideren en de schuldeisers van [A] hierover niet voldoende heeft geïnformeerd. Het hof heeft echter geoordeeld dat de curatoren ten aanzien van de grondslagen (ii) en (iii) niet hebben gesteld dat zij voor alle schuldeisers gelden. De curatoren hebben niet gesteld dat dit voor deze vierde grondslag anders zou zijn. Zij hebben alleen in algemene zin betoogd dat de Peeters/Gatzen-vordering is ingesteld ten behoeve van alle schuldeisers, maar dit niet gespecificeerd met betrekking tot deze vierde grondslag. In het oordeel van het hof in rov. 3.6.6 ligt dus een verwerping besloten van de Peeters/Gatzen-vordering voor zover gebaseerd op deze vierde grondslag.”

r.o. 2.52

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2019:432
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
19 april 2019
Datum publicatie
24 mei 2019
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
10:119 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
aandeelhouder
Uitkomst aansprakelijkheid
afgewezen
Weekoverzicht
Week 16 van 2019

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.