← Week 26

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 28 juni 2019

Uitleg statutaire aanbiedingsregeling, aandeelhoudersovereenkomst en redelijkheid en billijkheid

  • Overig Boek 2
  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Twee aandeelhouders van een BV twisten over de uitleg van een statutaire aanbiedingsregeling nadat een van hen haar aandelen aan een stichting administratiekantoor heeft overgedragen, met gevolgen voor stemrecht en het ontslag als bestuurder. De A-G bepleit objectieve uitleg van statuten, met een aparte rol voor de aandeelhoudersovereenkomst (Haviltex) en voor redelijkheid en billijkheid (artikel 2:8 BW) als complementaire correctie. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Het hof stelt voorop dat zich bij de uitleg van schriftelijke overeenkomsten in de jurisprudentie een spectrum heeft ontwikkeld, waarbinnen zich aan de ene kant de meer objectieve CAO-norm bevindt – waarbij de bewoordingen van een tekst, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst, in beginsel van doorslaggevende betekenis zijn – en aan de andere kant de meer subjectieve Haviltex-norm, waarbij het aankomt op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In het arrest HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:A01427, NJ 2005/493 (DSM/Fox) overweegt de Hoge Raad als volgt: “Tussen beide normen bestaat geen tegenstelling, maar een vloeiende overgang. Enerzijds heeft ook bij toepassing van de Haviltexnorm te gelden dat, indien de inhoud van een overeenkomst in een geschrift is vastgelegd (...) de argumenten voor een uitleg van dat geschift naar objectieve maatstaven aan gewicht winnen in de mate waarin de daarin belichaamde overeenkomst naar haar aard meer is bestemd de rechtspositie te beïnvloeden van derden die de bedoeling van de contracterende partijen uit dat geschrift en een eventueel daarbij behorende toelichting niet kunnen kennen en het voor de opstellers voorzienbare aantal van die derden groter is, terwijl het geschrift ertoe strekt hun rechtspositie op uniforme wijze te regelen. Anderzijds leidt de CAO-norm niet tot […]”

r.o. 3.3

“Het hof is van oordeel dat, beoordeeld naar de taalkundige betekenis van de bepaling, een ‘wijziging van de aandeelhouders in een aandeelhouder-rechtspersoon door toetreden van andere natuurlijke of rechtspersonen als aandeelhouder dan zij die tot op dat moment aandeelhouder waren', zoals in artikel 15 lid 1 sub g van de statuten ontschreven, in het onderhavige geval heeft plaatsgehad. [eiseres] is immers aandeelhouder-rechtspersoon in Apotheek Eemnes. [betrokkene 1] heeft zijn aandelen in [eiseres] overgedragen aan de Stak: een derde die tot dan toe geen aandeelhouder van [eiseres] was. De Stak trad daarmee als aandeelhouder in de aandeelhouder-rechtspersoon toe.”

r.o. 3.4

“Dat er in de gevallen waarom het nu gaat, veelal naast de rechtsverhouding zoals die op grond van de statuten bestaat, tussen de oprichters/aandeelhouders ook een rechtsverhouding uit hoofde van een aandeelhoudersovereenkomst bestaat, betekent dat aan redelijke onderlinge verwachtingen tussen de oprichters/aandeelhouders (‘subjectieve Haviltex’) het volle pond kan worden gegeven, zo vaak als de belangen van derden daaraan niet in de weg staan, en wel zonder dat behoeft te worden afgedaan aan het uitgangspunt dat statuten objectief worden uitgelegd. In voorkomende gevallen zal de ene aandeelhouder ten opzichte van de andere(n) er zelfs aanspraak op kunnen maken dat statutenwijziging plaatsvindt. Dit is in het bijzonder van belang voor het geval waarin de aandeelhoudersovereenkomst verplicht tot besluiten van organen van de rechtspersoon die zonder statutenwijziging niet geldig kunnen worden genomen in verband met art. 2:14 BW. Bovendien zal door statutenwijziging voor de toekomst ook jegens derden kunnen gaan gelden wat op grond van de aandeelhoudersovereenkomst tussen de partijen bij die overeenkomst reeds geldt. Strijd met de inhoud van een aandeelhoudersovereenkomst leidt er echter in beginsel niet toe dat een overeenkomstig de statuten genomen besluit ongeldig is, al kunnen redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 BW), eventueel mede in het licht van de norm van het vennootschappelijk belang (art. 2:239 lid 5 BW), tot nuanceringen leiden (‘doorwerking’ van de […]”

r.o. 3.16

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2019:768
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
28 juni 2019
Datum publicatie
2 augustus 2019
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:8 BW, 2:14 BW, 2:15 BW, 2:180 BW, 2:192 BW, 2:236 BW, 2:239 BW
Thema
Overig Boek 2, Besluitvorming en vernietigbaarheid
Weekoverzicht
Week 26 van 2019

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.