← Week 48

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 27 november 2020

Afdwingbaarheid voorovereenkomst tot aangaan vof; affectio societatis en artikel 22 WvK

  • Personenvennootschappen
  • Personenvennootschappen

Samenvatting

Een partij vordert nakoming van een mondelinge voorovereenkomst die erop is gericht dat partijen een vof aangaan. De A-G concludeert tot vernietiging en verwijzing. Zij wijst erop dat een partij in beginsel niet kan worden veroordeeld tot het aangaan van een vof die zij niet wil, omdat anders het vereiste van affectio societatis wordt uitgehold. Verder strekt het bewijsvoorschrift van artikel 22 WvK zich via artikel 6:226 BW ook uit tot voorovereenkomsten.

Kernoverwegingen

“Hoewel art. 7A:1655 BW dit niet met zoveel woorden vermeldt, wordt algemeen aangenomen dat tot de wezenskenmerken van de maatschap (en de vof) behoort dat zij gericht is op samenwerking tot een gemeenschappelijk doel. Hierbij geldt als bijzonderheid dat die samenwerking min of meer op voet van gelijkheid plaatsvindt, dat wil zeggen zonder dat tussen partijen een hiërarchische verhouding bestaat. Hierin onderscheiden de maatschap en de vof zich van bijvoorbeeld een arbeidsovereenkomst. De vereiste wil tot samenwerking op voet van gelijkheid wordt van oudsher, met een Romeinsrechtelijke term, ‘affectio societatis’ genoemd. Het gaat hier – gelet op de wilsvertrouwensleer (art. 3:33/3:35 BW), die ook de totstandkoming van maatschaps- en vof-overeenkomsten beheerst – om de zo nodig objectief te interpreteren wil tot samenwerking op voet van gelijkheid. Voor het aannemen van ‘affectio societatis’ is niet vereist dat partijen een gelijkwaardig aandeel (beogen te) hebben in de feitelijke werkzaamheden van het samenwerkingsverband. Het gaat erom dat zij vanuit een gelijkwaardige positie deelnemen aan de besluitvorming in de maatschap of vof.”

r.o. 2.18

“Ik kom nu toe aan een bespreking van de klachten. Het hof heeft nadrukkelijk overwogen dat de bewezenverklaarde (voor)overeenkomst ‘(nog) geen vof-overeenkomst’ betreft. Bij de bewijswaardering heeft het hof meegewogen dat de overeenkomst erop gericht is dat partijen ‘(uiteindelijk) een vof aangaan’ en dat dit ‘een intensieve samenwerkingsvorm’ is, zodat de aspirant-vennoot er ‘niet te snel op mocht vertrouwen’ dat de vennoot een dergelijke overeenkomst wilde sluiten, zeker niet gezien de ‘minder positieve ervaringen’ van de vennoot in zijn samenwerking met de compagnon. Kennelijk, en mijns inziens terecht, heeft het hof geoordeeld dat het vereiste van ‘affectio societatis’ zijn schaduw vooruitwerpt over het bewijs van de gestelde voorovereenkomst, die is gericht op het aangaan van een vennootschap onder firma. De vraag is of het hof dit vereiste, behalve bij de bewijswaardering, ook (meer) gewicht had moeten toekennen bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vorderingen tot nakoming van de gestelde voorovereenkomst.”

r.o. 2.22

“Het komt mij voor dat het middel ook op dit punt terecht is voorgesteld. Op zichzelf is het mogelijk dat een partij die bij haar wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen in de totstandkoming van een vof-(voor)overeenkomst heeft gewekt, ondanks haar eventuele onwil tot samenwerking in vof-verband, gebonden wordt geacht aan de desbetreffende (voor)overeenkomst. Dit betekent dat die partij schadeplichtig kan zijn, indien zij weigert deze (voor)overeenkomst gestand te doen. Naar mijn mening kan die partij echter in beginsel niet worden veroordeeld tot het aangaan van een vof-overeenkomst die zij niet wenst, omdat anders het vereiste van ‘affectio societatis’ – dat tot de essentialia van de vof-overeenkomst behoort – wordt uitgehold. Onder bijzondere omstandigheden zou dit anders kunnen liggen, bijvoorbeeld als de beweerde onwil tot het aangaan van een vof evident ongeloofwaardig is (dus een gelegenheidsargument) of kennelijk slechts van tijdelijke of ondergeschikte aard (dus niet prohibitief voor de toekomstige vof-relatie).”

r.o. 2.23

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2020:1131
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
27 november 2020
Datum publicatie
7 januari 2021
Spoor
Personenvennootschappen
Wetsartikelen
6:226 BW, 6:227 BW, 3:296 BW, 3:300 BW, 7:4 BW
Thema
Personenvennootschappen
Weekoverzicht
Week 48 van 2020

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.