Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 21 februari 2020
Jaarrekeningprocedure: ontvankelijkheid aandeelhouder en classificatie ingekochte aandelen als vreemd vermogen
- Jaarrekening
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een uittredende aandeelhouder van een houdstervennootschap komt in een jaarrekeningprocedure op tegen de verantwoording van haar nog niet geleverde, maar verkochte aandelen onder het eigen vermogen. De A-G bepleit een nuancering van de kringleer bij het belanghebbendebegrip van artikel 2:448 BW en acht de aandeelhouder ontvankelijk. Hij vindt de uitleg van de juridische vorm in de verslaggevingsrichtlijnen, in het licht van het inzichtvereiste van artikel 2:362 BW, begrijpelijk. Het oordeel van de OK blijft grotendeels in stand.
Kernoverwegingen
“Tussen de posities van [verweerster] als aandeelhouder enerzijds en van [betrokkene 1] en [A] als indirect aandeelhouders anderzijds [dient onderscheid te worden gemaakt].Voor [verweerster] als juridisch aandeelhouder geldt dat GGN Brabant haar stelling dat [verweerster] materieel geen enkel te respecteren belang heeft bij de inrichting van de Jaarrekening, onvoldoende heeft toegelicht. Dat de feitelijke en juridische positie van [verweerster] ten opzichte van GGN Brabant niet verandert indien haar bezwaren tegen de Jaarrekening worden gehonoreerd, doet niet af aan haar belang als aandeelhouder – als zodanig deel uitmakend van het orgaan dat de jaarrekening vaststelt – bij een juiste jaarrekening en bij de beoordeling in rechte van haar bezwaar tegen de Jaarrekening Dat het onderliggende vermogensrechtelijke geschil tussen partijen uit hoofde van de participantenovereenkomst aan een arbiter moet worden voorgelegd, is voorts geen omstandigheid die tot de conclusie zou moeten leiden dat [verweerster] niet ontvankelijk is in het onderhavige verzoek.””
r.o. 3.9
“Vaststaat dat [verweerster] met ingang van 1 januari 2013 geen participant (en [betrokkene 1] geen achterliggende participant) meer is in GGN en dat het aandeel B1 in GGN Holding vanaf die datum niet meer voor rekening en risico van [verweerster] komt (zie 2.26 [1.16 hiervoor, A-G]), maar voor rekening van GGN Holding. Een en ander is in overeenstemming met de Participantenovereenkomst.”
r.o. 3.15
“Gelet op de functie van de jaarrekening als financieel verantwoordingsinstrument ten behoeve van het maatschappelijk verkeer dient het begrip “de juridische vorm” naar het oordeel van de Ondernemingskamer in die zin te worden uitgelegd, dat uit het vermogensrecht voortvloeiende verplichtingen worden verantwoord als onderdelen van het vreemd vermogen van de rechtspersoon. Gelet op de essentiële functie van de afbakening van eigen vermogen en vreemd vermogen wordt alleen op die wijze recht gedaan aan het door art. 2:362 BW vereiste inzicht in het vermogen en het resultaat dan een zuiver goederenrechtelijke uitleg.”
r.o. 3.21