← Week 8

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 21 februari 2020

Conclusie: jaarrekening 2017 GGN Holding, uittreders als vreemd vermogen, inzichtsvereiste

  • Jaarrekening
  • Boek 2 BW

Samenvatting

In deze conclusie behandelt de A-G het cassatieberoep van een holdingvennootschap tegen een bevel van de OK om haar jaarrekening 2017 aan te passen, op grond van artikel 2:447 BW. De OK had geoordeeld dat de enkelvoudige jaarrekening niet het door artikel 2:362 BW vereiste inzicht gaf, omdat de inkoopverplichting jegens uittredende participanten niet als vreemd vermogen was verantwoord. De A-G acht dat oordeel juist en concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Voor stringentere aanwijzingen dan gegeven in 3.25 en 3.26 heeft de Ondernemingskamer in deze jaarrekeningprocedure geen grondslag gevonden; zij verwijst daartoe naar hetgeen in 3.15 is overwogen en brengt voorts in herinnering dat haar, zoals in 3.13 is overwogen, geen (definitief en bindend) oordeel toekomt over geschillen van vermogensrechtelijke aard. Dat brengt mee dat het evenmin op de weg van de Ondernemingskamer ligt om zich uit te laten over de modaliteiten van een (alsnog) met [verweerster] te sluiten overeenkomst van geldlening. Deze oordelen gelden evenzeer waar het de rechtspositie van GGN Holding jegens de overige uittreders betreft.”

r.o. 3.28

“Ik behandel de subonderdelen 3.2 en 3.3 gezamenlijk. De ondernemingskamer heeft in rov. 3.23 het geheel van de gecompliceerde verhoudingen tussen de participanten en GGN Holding geanalyseerd. In de kern komt die analyse erop neer dat [verweerster] een participatie heeft genomen in een geheel van vennootschappen. Hiervoor heeft [verweerster] in dat geheel een onderneming ingebracht. [verweerster] heeft op een bepaald moment haar participatie beëindigd. Voor die beëindiging heeft [verweerster] op grond van de Participantenovereenkomst recht op een bepaalde uittreedsom. Het recht op die uittreedsom dient als vreemd vermogen te worden verantwoord. Ik vind deze analyse adequaat en geenszins onbegrijpelijk. De verschillende subonderdelen falen.”

r.o. 3.36

“Het subonderdeel faalt. Uit het geheel van de beschikking van de ondernemingskamer blijkt mijns inziens duidelijk dat de ondernemingskamer het in de geconsolideerde balans 2016 opnemen van het geplaatste kapitaal en agio dat verbonden is aan uittredende participanten onder het eigen vermogen als een fout beschouwde. Daarom mag de ondernemingskamer bevelen dat het woord foutherstel wel in de toelichting op de jaarrekening wordt opgenomen.”

r.o. 3.43

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2020:172
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
21 februari 2020
Datum publicatie
27 maart 2020
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:447 BW, 2:362 BW, 2:361 BW, 2:373 BW, 2:381 BW, 2:98 BW, 2:363 BW
Thema
Jaarrekening
Weekoverzicht
Week 8 van 2020

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.