Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 6 maart 2020
Toerekening van wetenschap van bestuurders aan rechtspersoon bij verjaring van onrechtmatigedaadsvordering
- Overig Boek 2
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
In deze conclusie gaat het om de vraag of de wetenschap van een of meer vertegenwoordigingsbevoegde bestuurders aan de rechtspersoon wordt toegerekend bij de korte verjaringstermijn van artikel 3:310 BW, ook als die bestuurders hun belangenverstrengeling opzettelijk voor de rest van het bestuur verborgen hielden. De A-G meent dat de bepalingen uit Boek 2 over vertegenwoordiging niet tot zulke toerekening dwingen. Toerekening past ook niet als de aangesproken derde wist van het verborgen houden. De verlengingsgrond voor verjaring tussen rechtspersoon en bestuurders veronderstelt volgens hem geen toerekening. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Ik loop de diverse argumenten van het onderdeel langs. Daarbij stel ik voorop dat toerekening van wetenschap geen eenduidig leerstuk is, in de zin dat steeds dezelfde criteria zouden gelden, dus ongeacht de juridische context waarin de toerekeningsvraag zich voordoet. Toerekening van wetenschap vindt integendeel plaats in het licht van de strekking van de rechtsnorm voor de toepassing waarvan de aanwezigheid van die kennis van belang is en met inachtneming van de bij de toepassing van die norm betrokken redelijke belangen. Die strekking van de rechtsnorm en die redelijke belangen zijn dus medebepalend voor de vraag of wetenschap al dan niet wordt toegerekend. Hiermee is niet in strijd dat voor toerekening van wetenschap aan een rechtspersoon de maatstaf geldt of die wetenschap in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als wetenschap van de rechtspersoon. Die maatstaf is voldoende ‘open’ om rekening te houden met zowel de strekking van de norm ter zake waarvan de toerekeningsvraag zich voordoet als met de daarbij betrokken belangen.”
r.o. 3.5
“De juistheid van de opvatting dat vertegenwoordigingsbevoegdheid steeds tot toerekening van kennis aan een rechtspersoon behoort te leiden, volgt uit de genoemde bepalingen niet. De bepalingen uit Boek 2 BW zeggen het niet en ook uit art. 3:66 jo. 3:78 BW laat het zich niet afleiden. Art. 3:66 BW ziet op het geval dat een rechtshandeling is verricht. Voor dát geval geeft het tweede lid een regel over onder meer bekendheid of onbekendheid met feiten. Mijns inziens minder belangrijk, maar toch ook niet zonder betekenis is dat art. 3:66 lid 2 BW door art. 3:78 BW juist niet van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op vertegenwoordiging krachtens (onder meer) Boek 2 BW. Ik zeg: minder belangrijk, omdat ook zonder schakelbepaling aanleiding zou kúnnen bestaan voor analoge toepassing van de leer van het grootste aandeel op vertegenwoordiging in het rechtspersonenrecht. Schakelbepalingen mogen immers, zo min als andere wettelijke bepalingen, niet zonder meer a contrario worden gelezen. Het meest wezenlijk is dus dat de vordering van HDI niet berust op een rechtshandeling.”
r.o. 3.7
“Gelet op het voorgaande meen ik dat niet juist is dat de verlengingsgrond van art. 3:321 lid 1 onder d BW toerekening van de kennis van de bestuurder aan de rechtspersoon veronderstelt. Voor de verlengingsgrond bestaan andere redenen. In het geval van een eenhoofdig bestuur gaat op de door de wetgever opgegeven reden, namelijk dat de rechtspersoon alleen door de bestuurder wordt vertegenwoordigd. In gevallen van collegiaal bestuur spaart de verlengingsgrond de onderlinge verhoudingen. Uit het bestaan van de verlengingsgrond van art. 3:321 lid 1 onder d BW volgt wel dat na het defungeren van een bestuurder de rechtspersoon stééds nog tenminste zes maanden de tijd heeft om de verjaring te stuiten, maar dit dwingt niet tot een rechtsopvatting die – over de boeg van toerekening van wetenschap – inhoudt dat de verjaring steeds aanvangt zodra ten minste één vertegenwoordigingsbevoegde bestuurder bekend is met de schade en de aansprakelijke persoon.”
r.o. 3.15