Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 24 april 2020
Cassatie na verwijzing: onrechtmatige daad-vordering tegen bestuurder, niet-ontvankelijkheid op grond van artikel 399 Rv
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
- Zijdelings
Samenvatting
In deze conclusie voor de Hoge Raad vordert een curator na het faillissement van een dochtervennootschap schadevergoeding van de moedervennootschap en haar bestuurder, onder meer op grond van onrechtmatige daad in samenhang met artikel 2:11 BW. Het hof wees de vordering alleen tegen de vennootschap toe en liet de bestuurder buiten beschouwing. De advocaat-generaal acht dat oordeel onbegrijpelijk, maar concludeert tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep, omdat de curator eerst aanvulling van het arrest kan vragen (artikel 399 j. 32 Rv).
Kernoverweging
“Het oordeel van het hof dat de subsidiaire vordering uitsluitend betrekking heeft op [verweerster 1] is niet begrijpelijk. Tot cassatie kan dat evenwel niet leiden, gelet op het volgende. Op grond van art. 399 Rv staat geen cassatieberoep open voor hem die zijn bezwaren kan doen herstellen door dezelfde rechter bij wie de zaak heeft gediend. Indien de rechter heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde of verzochte, biedt art 32 Rv partijen de mogelijkheid de rechter te verzoeken zijn uitspraak aan te vullen. Als art. 32 Rv van toepassing is, dient het cassatieberoep op grond van art. 399 Rv niet-ontvankelijk te worden verklaard, tenzij in cassatie ook andere klachten aan de orde zijn gesteld. Dat laatste doet zich in het onderhavige geval niet voor. De klacht over onbegrijpelijkheid van rov. 4.4 is niet een “andere klacht” in de zin van de hiervoor vermelde rechtspraak van de Hoge Raad die maakt dat de curator ontvankelijk moet worden geacht. Het middel klaagt uitsluitend erover dat het hof niet heeft beslist op al hetgeen de curator aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd. Anders dan de steller van het middel meent, handelt het hof aldus niet in strijd met art. 24 Rv, maar in strijd met art. 23 Rv, welke laatste bepaling luidt: “De rechter beslist over al hetgeen partijen hebben gevorderd of verzocht.” Nu de steller van het middel klaagt dat het hof niet heeft beslist op al hetgeen de curator aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd - […]”
r.o. 3.3