Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 23 april 2020
Einde enquêteprocedure en niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen onmiddellijke voorzieningen (e-Traction)
- Enquêterecht
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een enquêteprocedure bestrijden aandeelhouders in cassatie een beschikking van de OK over onmiddellijke voorzieningen, terwijl de OK de enquêteprocedure en de voorzieningen daarna heeft beëindigd. De A-G wijst op de e-Traction-beschikking: na het einde van de enquêteprocedure kunnen geen onmiddellijke voorzieningen meer worden getroffen en kan niet meer over eerder getroffen voorzieningen worden geklaagd. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“In geval niet kan worden voldaan aan een (of meer) van de voorwaarden als omschreven in artikel 3.1, dan wel indien niet uiterlijk 1 juni 2019 (of zoveel later als Partijen gezamenlijk bepalen) niet alle voorwaarden In vervulling zijn gegaan, heeft iedere Partij het recht deze Overeenkomst te beëindigen, en vervallen alle daarin opgenomen rechten en verplichtingen, zonder dat Partijen elkaar in verband daarmee enige (schade)vergoeding zijn verschuldigd. (…)”
r.o. 3.2
“[verweerder 4] heeft zich in zijn verweer daarnaast op het standpunt gesteld dat ook STAK niet ontvankelijk is in zijn verzoek. Volgens [verweerder 4] is STAK geen aandeelhouder omdat de levering van de aandelen aan STAK heeft plaatsgevonden nadat [verweerder 4] de uittredingsprocedure aanhangig heeft gemaakt jegens JKS. STAK valt dus niet onder de in artikel 2:346 BW genoemde categorieën van personen, aldus [verweerder 4] . De Ondernemingskamer ziet geen aanleiding om af te wijken van de positie die de STAK telkens heeft ingenomen in de procedures met zaaknummer 200.215.784 en zal het verweer van [verweerder 4] om die reden passeren.”
r.o. 3.4
“DEM heeft ook inhoudelijk gemotiveerd verweer gevoerd. De Ondernemingskamer zal hieronder waar nodig op dit verweer en het verweer van de overige partijen ingaan.”
r.o. 3.5