Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 12 juni 2020
Verbodenverklaring en ontbinding informele vereniging (motorclub) op grond van artikel 2:20 BW
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Het openbaar ministerie wil een informele vereniging (motorclub) met afdelingen en supportclubs laten verbieden en ontbinden wegens strijd met de openbare orde (artikel 2:20 BW). In cassatie speelt onder meer of strafrechtelijk bewijsrecht moet gelden omdat sprake zou zijn van een criminal charge. De A-G meent van niet, omdat de procedure civielrechtelijk is en de verbodenverklaring en ontbinding geen sanctie in de zin van artikel 6 EVRM vormen, en concludeert dat de beschikking van het hof standhoudt.
Kernoverwegingen
“Het hof heeft in de Bandidos-zaak tot uitgangspunt genomen:
“4.7 Dit [de vrijheid van vereniging van art. 8 Gw en art. 11 EVRM, A-G] betekent dat hoge eisen moeten worden gesteld aan verzoeken op grond van de artikelen 2:20 en 10:122 BW en de motivering en onderbouwing daarvan. Uit de motivering en onderbouwing van de verzoeken moet blijken dat sprake is van een rechtspersoon of corporatie zoals in de artikelen 2:20 en 10:122 BW bedoeld. Ook moet in voldoende mate vaststaan dat sprake is van gedragingen die een daadwerkelijke aantasting vormen van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel en die onze samenleving ontwrichten of kunnen ontwrichten en die aan de desbetreffende rechtspersoon of corporatie kunnen worden toegerekend.” De Hoge Raad bevestigt dat uitgangspunt van het hof in zijn beschikking. De overweging van de Hoge Raad dat “hoge eisen moeten worden gesteld aan een verzoek” van het OM “en de motivering en onderbouwing daarvan” is in de Bandidos-zaak toegespitst op een verzoek op de voet van art. 10:122 BW en op het stellen, en zo nodig, onderbouwen dat sprake is van een ‘corporatie’ in de zin van art. 10:117 onder a BW. Die hoge eisen gelden mutatis mutandis ook met betrekking tot een verzoek op de voet van art. 2:20 lid 1 BW voor de stelplicht van het OM dat sprake is van een rechtspersoon. Die hoge eisen gelden bovendien niet alleen voor het element ‘rechtspersoon’ in art. 2:20 lid 1 BW, maar ook voor het element dat ‘de werkzaamheid in strijd is […]”
r.o. 2.20
“In de Bandidos-zaak heeft de Hoge Raad voorts over de reikwijdte van een verzoek van het OM tot verbodenverklaring en ontbinding van een rechtspersoon op de voet van art. 2:20 lid 1 BW het volgende vooropgesteld:
“3.4.1 De vereniging is een rechtspersoon met leden die is gericht op een bepaald doel (art. 2:26 lid 1 BW). Als de statuten van een vereniging zijn opgenomen in een notariële akte is sprake van een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, ook wel een formele vereniging genoemd. Als een vereniging niet beschikt over statuten die in een notariële akte zijn opgenomen, is sprake van een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid, ook wel informele vereniging genoemd. Uit art. 2:26 lid 1 BW en de toelichting daarop volgt dat voor het zijn van een informele vereniging is vereist dat er een zelfstandig lichaam is dat als zodanig deelneemt aan het rechtsverkeer, dat leden heeft en dat gericht is op een bepaald doel. Dit veronderstelt enig organisatorisch verband. Of daarvan in een concreet geval sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Dergelijke omstandigheden kunnen zijn dat er min of meer vaste regels of gebruiken zijn, dat een of meer leden coördinerende taken vervullen ten behoeve van het zelfstandige lichaam, dat er ledeninspraak is, dat gelden worden ingezameld of contributie wordt geheven, dat een bankrekening wordt aangehouden op naam van het zelfstandige lichaam of dat er een gemeenschappelijke kas is. Opmerking verdient nog dat uit de […]”
r.o. 2.21
“Ik maak eerst een opmerking over de wijze waarop art. 2:20 BW is ingebed in het Nederlandse burgerlijke procesrecht “op basis van voluntaire jurisdictie”. De procedure op grond van art. 2:20 BW betreft een verzoekschriftprocedure (zie ook onder 2.10). Op grond van art. 284 Rv is het bewijsrecht in dagvaardingsprocedures (de negende afdeling van de tweede titel van Rv) van overeenkomstige toepassing op verzoekschriftprocedures, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. Met voluntaire jurisdictie (of ‘oneigenlijke rechtspraak’) wordt in dit verband gedoeld op civiele procedures die niet primair ‘twistgedingen’ zijn, maar waarin vanuit een ordenende functie wel een rechterlijke beslissing is vereist. Van oudsher geldt voor ‘twistgedingen’ de dagvaardingsprocedure en voor ‘oneigenlijke rechtspraak’ de verzoekschriftprocedure. Dit onderscheid is echter niet (meer) scherp. Onderkend moet worden dat verzoekschriftprocedures ook een zeker contentieus karakter (kunnen) hebben, wat m.i. ook het geval is bij toepassing van art. 2:20 BW. Bij contentieuze verzoekschriftprocedures is het minder vanzelfsprekend dan bij voluntaire verzoekschriftprocedures dat de aard van de zaak zich verzet tegen toepasselijkheid van de bewijsregels uit (per definitie contentieuze) dagvaardingsprocedures.
Ik noem twee voorbeelden uit Boek 2 BW van rechtspraak over art. 284 Rv. De aard van de tweede fase van de enquêteprocedure (2:355 BW), waarin de wetgever spoed geboden acht, brengt mee dat de […]”
r.o. 2.25