← Week 26

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 26 juni 2020

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens betalingsonwil na niet-nabetaling CAO-loon door uitzendbureau

  • Aansprakelijkheid toegewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een stichting die toeziet op de naleving van de CAO voor Uitzendkrachten heeft de directe en indirecte bestuurders van een uitzendbureau op grond van artikel 6:162 BW persoonlijk aansprakelijk gesteld wegens betalingsonwil, nadat het uitzendbureau onherroepelijk was veroordeeld tot correctie van CAO-overtredingen maar het achterstallige loon niet nabetaalde. Het hof had de vordering toegewezen. De A-G concludeert dat de cassatieklachten falen: elke bestuurder is zelfstandig vertegenwoordigingsbevoegd (artikel 2:240 BW), de aansprakelijkheid rust op een samenstel van omstandigheden en niet enkel op het dividendbesluit, en consignatie doet niet af aan de aansprakelijkheid. Hij stelt voor het beroep af te doen met artikel 81 lid 1 RO.

Kernoverwegingen

“Aangezien Vlimo c.s. geen grieven hebben gericht tegen het (tussen)vonnis van 11 mei 2016, zullen zij in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.”

In cassatie”

r.o. 3.13

“Het hof neemt in rov. 3.4 terecht tot uitgangspunt de verzwaarde maatstaf voor bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 6:162 BW jegens een schuldeiser van de vennootschap zoals geformuleerd in het arrest Ontvanger/ […], welk arrest blijkens rov. 3.4 (in cassatie als zodanig niet bestreden) “ook volgens partijen de hier toepasselijke maatstaf behelst” en nadien, in wat gerust bestendige rechtspraak mag heten, door de Hoge Raad bevestigd is in onder meer de arresten Spaanse Villa,Hezemans Air,RCI,TMF, en twee arresten van eerder dit jaar. In het Air Holland-arrest heeft de Hoge Raad verduidelijkt dat voor een persoonlijk ernstig verwijt als bedoeld in het arrest Ontvanger/ […] voldoende is dat de bestuurder ten tijde van het hem verweten handelen of nalaten, kort gezegd, ernstig rekening had moeten houden met de mogelijkheid van een vordering op de vennootschap. Verder blijkt uit het hiervoor al genoemde TMF-arrest dat uit het persoonlijke karakter van het ernstige verwijt dat de bestuurder in het kader van art. 6:162 BW moet kunnen worden gemaakt, volgt dat voor het aannemen van aansprakelijkheid (behoudens bij toepassing van art. 2:11 BW) voor iedere bestuurder afzonderlijk moet worden vastgesteld dat hij in zijn hoedanigheid onrechtmatig heeft gehandeld en dat dit handelen (waaronder is begrepen nalaten) aan hem kan worden toegerekend. Het thans bestreden arrest bevat geen verwijzing naar toepassing van art. 2:11 BW, maar is klaarblijkelijk geënt op de gedachte, in lijn met de […]”

r.o. 3.49

“In rov. 3.8, eerste zin stelt het hof voorop dat door Vlimo c.s. tevergeefs is bestreden dat aan hun zijde sprake is van betalingsonwil, welke bestrijding door Vlimo c.s. het hof dus nadrukkelijk onderkent. In rov. 3.11, eerste en tweede zin, gelezen in samenhang met rov. 3.6 waarnaar het hof ook verwijst in rov. 3.11, eerste zin (“zoals ook reeds overwogen in rov. 3.6”), oordeelt het hof dat Vlimo c.s. “op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderling verband beschouwd,” als bestuurders jegens SNCU aansprakelijk zijn wegens betalingsonwil, waarmee voor ieder van hen is vastgesteld dat zij in hun hoedanigheid van bestuurder onrechtmatig hebben gehandeld en dat dit handelen hen kan worden toegerekend. Daarmee doelt het hof niet alleen op de in rov. 3.7 en 3.8 vermelde omstandigheden, maar ook op hetgeen het in rov. 3.9-3.10 nog heeft overwogen met betrekking tot de door Vlimo c.s. ingenomen stellingen in het kader van hun bestrijding dat sprake is van de verweten betalingsonwil aan de zijde van Vlimo c.s. (als bedoeld in rov. 3.8, eerste zin in verbinding met rov. 3.3, slotzin). In rov. 3.10, tweede en derde zin (te lezen in het licht van rov. 3.8-3.9 en in samenhang met rov. 3.3-3.7 en 3.11) respondeert het hof op het in rov. 3.10, eerste zin weergegeven betoog van Vlimo c.s., erop neerkomend “dat [eiser 1] geen doorslaggevende stem had in het bestuur van TVN” en “dat hij rekening moest houden met zijn Poolse compagnon ( [betrokkene 1] )”.Het gaat hier in het […]”

r.o. 3.52

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2020:690
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
26 juni 2020
Datum publicatie
24 september 2020
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW, 2:9 BW, 2:240 BW, 2:216 BW, 2:11 BW, 6:98 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
toegewezen
Weekoverzicht
Week 26 van 2020

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.